Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT7867

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-06-2005
Datum publicatie
23-06-2005
Zaaknummer
04/4203 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUV-uitkering. Houden gezondheidsklachten verband met het oppakken en onthoofden van betrokkene's vader tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/4203 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 14 juni 2004, kenmerk JZ/H70/2004/0387, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 mei 2005. Aldaar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot L.C. Baasbecking. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in april 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in april 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet te worden gelijkgesteld met de vervolgde en voorts in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en voorzieningen.

Eiseres heeft haar aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten, die naar haar mening het gevolg zijn van het omkomen in 1944 van haar vader, die door de Japanse bezetters is opgepakt en onthoofd.

Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 2 december 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat eiseres zelf geen vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet en dat haar lichamelijke en psychische klachten redelijkerwijs geen verband houden met het overlijden van haar vader, zodat eiseres niet met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster, onder meer, bevoegd om met de vervolgde gelijk te stellen de persoon die voldoet aan het bepaalde in het eerste lid en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat aan verweerster een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het besluit op dit punt slechts terughoudend kan toetsen.

Verweerster heeft het omkomen van de vader van eiseres op zichzelf aangemerkt als omstandigheid welke overeenkomst vertoont met vervolging. Niettemin heeft verweerster geweigerd om van de haar in artikel 3, tweede lid, van de Wet gegeven bevoegdheid gebruik te maken, omdat naar haar oordeel bij eiseres geen sprake is van enig(e) met die omstandigheid redelijkerwijs in verband te brengen ziekte of gebrek. Zoals namens verweerster ter zitting van de Raad nader is toegelicht gaat het bij deze medische beoordeling niet om de indirecte gevolgen voor het gezinsleven van het wegvallen van de vervolgde ouder, maar om het directe gevolg voor de gezondheidstoestand die door dit overlijden wordt veroorzaakt.

Zoals de Raad reeds meermalen heeft uitgesproken, kan verweerster bij de beoordeling van op meergenoemd artikelonderdeel gebaseerde aanspraken in redelijkheid deze norm hanteren.

Met betrekking tot de vraag of verweerster terecht en op goede gronden tot haar evengenoemde medische standpunt is kunnen komen overweegt de Raad het volgende.

Verweerster heeft haar standpunt gebaseerd op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Blijkens deze adviezen, die tot stand zijn gekomen na door de arts J.H. Husken in september 2003 verricht onderzoek bij eiseres van welk onderzoek hij een uitvoerig en gemotiveerd rapport heeft opgemaakt, en na raadpleging van de artsen bij wie eiseres onder behandeling was, zijn die geneeskundig adviseurs tot de conclusie gekomen dat in de persoonlijkheidsstructuur van eiseres geen pathologie is te melden en dat er ook geen sprake is van ontwikkelings- problematiek of geprotraheerde rouwproblemen bij eiseres. Huns inziens zijn haar psychische problemen duidelijk gerelateerd aan zaken als haar echtscheiding, haar bescheiden financiële armslag en de moeilijkheden die er in het verleden zijn geweest op Ambon en in het ouderlijk c.q. stiefvaderlijk gezin en de rol die haar stiefvader daarin heeft gespeeld. Het overlijden van haar vader achten zij in het huidige psychobeeld niet in betekenende mate aan de orde.

Ook de lichamelijke klachten van eiseres houden geen verband met het overlijden van haar vader.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Noch in de medische gegevens noch anderszins heeft de Raad aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het aan de hand van genoemde adviezen tot stand gekomen standpunt van verweerster.

Dat het leven van eiseres heel anders zou zijn verlopen, indien haar vader niet was omgebracht, is zeer aannemelijk, maar de gevolgen die de latere gebeurtenissen, zoals het hertrouwen van haar moeder met Souhokawerden en het meemaken van de RMS-strijd op Ambon, voor eiseres hebben gehad, staan in een te ver verwijderd verband met het omkomen van de vader van eiseres om in het kader van verweersters beleid in deze te kunnen worden meegewogen.

De mededeling van eiseres, dat zij thans onder behandeling is van een psychiater verbonden aan het Sinai centrum te Eindhoven, doet aan het vorenstaande ook niets af. Gegevens van die zijde, die tot een ander standpunt zouden kunnen leiden, zijn niet overgelegd; de betreffende medewerker zou bovendien te kennen hebben gegeven dat zij zich ook niet uitlaten over de causaliteit van de psychische problematiek van eiseres.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit de terughoudende toetsing door de rechter doorstaan en bestaat voor vernietiging ervan geen grond.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.