Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT7865

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-06-2005
Datum publicatie
23-06-2005
Zaaknummer
04/4440 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WUV-uitkering. Vervolgaanvraag om toekenning voorziening in verband met dwarslaesie. Is er sprake van causalilteit met de doorstane vervolging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/4440 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 9 juli 2004, kenmerk JZ/Q70/2004/0458, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft [naam gemachtigde] als gemachtigde van eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 mei 2005.

Aldaar is namens eiser verschenen zijn gemachtigde [naam gemachtigde], terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1919 in het voormalige Nederlands-Indië, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. In het verleden is aanvaard dat eisers rug- en schouderklachten, alsmede zijn psychische klachten in het door de Wet vereiste verband staan met de door hem ondergane vervolging; ten aanzien van zijn oogklachten en een huidafwijking werd zodanig verband niet aanvaard.

In augustus 2003 heeft eiser bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van diverse bijzondere voorzieningen, dit in verband met een bij hem opgetreden dwarslaesie vasculair.

Bij besluit van 22 december 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster de gevraagde voorzieningen geweigerd, in de kern op de grond dat de dwarslaesie is ontstaan door een bloeding als gevolg van een misvorming van het vaatstelsel ter plaatse, hetgeen als een constitutionele c.q. aangeboren aandoening is aan te merken. Hierbij heeft verweerster meegewogen dat van schade aan het ruggenmerg op basis van een verwonding geen sprake is.

In bezwaar en beroep heeft eiser de juistheid van verweersters opvatting over de causaliteit van de dwarslaesie uitvoerig betwist, mede onder verwijzing naar een algemene medische publicatie.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Blijkens de gedingstukken is het standpunt van verweerster in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, de artsen P. Windels en A.M. Ohlenschlager, welke adviezen mede zijn gebaseerd op uit de behandelende sector verkregen medische informatie.

In deze adviezen is aangegeven dat de bij eiser opgetreden dwarslaesie blijkens de beschikbare informatie berust op een bloeding tengevolge van een zogenoemde arterioveneuze malformatie, d.w.z. een aangeboren/ constitutionele misvorming van het vaatstelsel ter plaatse. Voorts is aangegeven dat er geen enkele medische verklaring is van zo’n aandoening die in verband kan worden gebracht met de ondergane vervolging. De eerder aanvaarde rugklachten zijn op basis van een andere, met de nu opgetreden dwarslaesie niet in relatie staande, reden, te weten arthrosis, als causaal aangemerkt. Een in bezwaar ingebrachte verklaring van de eiser behandelend neuroloog A. Koppenaal, inhoudend dat hem niet bekend dat de arterioveneuze malformatie bij eiser in relatie staat met de vervolging, doet volgens de geneeskundig adviseurs niet af aan de bekende aetiologie van de aandoening, terwijl de aangehaalde medische publicatie gaat over schade aan het ruggenmerg op basis van verwondingen.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen naar behoren voorbereid en gemotiveerd.

In de ter beschikking staande medische gegevens heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt over de causaliteit van de bij eiser opgetreden dwarslaesie. In het bijzonder is geen medisch gegeven ingebracht dat op de oorzaak hiervan een ander licht kan werpen dan door verweersters geneeskundig adviseurs gemotiveerd aangegeven. Met name is er in de gegevens, waarin wordt verwezen naar een MRI-scan, geen aanwijzing dat bij eiser in het verleden een ernstig trauma aan de wervelkolom is opgetreden. Onder deze omstandigheden kan ook de in artikel 7, tweede lid, van de Wet vervatte regeling over de omgekeerde bewijslast voor eiser geen uitkomst bieden.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2005.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.