Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT7839

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-06-2005
Datum publicatie
21-06-2005
Zaaknummer
04/4726 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing erkenning als burgeroorlogsgetroffene omdat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat betrokkene getroffen is geweest door oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/4726 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 18 augustus 2004, kenmerk JZ/P60/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit heeft R.W. Houtters, wonende te Arnhem, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 mei 2005. Daar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door R.W. Houters, voornoemd, en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren op 2 augustus 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in september 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. In dat verband heeft eiseres aangevoerd dat zij ten gevolge van oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië gezondheids-klachten heeft gekregen.

Bij besluit van 18 februari 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen - kort gezegd - dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat eiseres getroffen is geweest door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, d, en f, van de Wet wordt - voorzover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië ( de zogenoemde Bersiap-periode):

- lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- op jeugdige leeftijd psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge directe confrontatie met doodslag, executie of zware mishandeling van derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

Als relevante oorlogservaringen heeft eiseres naar voren gebracht dat zij tijdens de Japanse bezetting geconfronteerd is geweest met zware mishandeling en het doden van KNIL-soldaten door Japanners in Tjimahi alsmede tijdens de Bersiap-periode te hebben verbleven in het Tjihapit-kamp.

Op grond van de voorhanden gegevens - waaronder gegevens van het Nederlandse Rode Kruis, het voormalige Bureau Overzeese Pensioenen en resultaten van dossieronderzoek van de broer van eiseres P. de Haan - heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat eiseres tijdens de bezettingsjaren en de daaropvolgende Bersiap-periode heeft blootgestaan aan oorlogsgeweld als omschreven in artikel 2 van de Wet.

Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster terecht geoordeeld dat wat betreft de gestelde mishandeling en het doden van KNIL-militairen - buiten de eigen verklaring van eiseres - geen bevestiging is verkregen dat eiseres daarvan getuige is geweest. Naar de Raad al meermalen heeft overwogen kan een door een betrokkene gemelde gebeurtenis niet uitsluitend op grond van diens eigen verklaring als voldoende vaststaand worden aangemerkt, maar dient een dergelijke verklaring te worden ondersteund door aanvullende gegevens. Dergelijke gegevens zijn niet verkregen of overgelegd. De overgelegde verklaring van de broer van eiseres, R. de Haan, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen aangezien - mede gelet op het verhandelde ter zitting - onvoldoende is gebleken dat deze verklaring berust op eigen waarneming. Voorts kan de Raad niet voorbijgaan aan de omstandigheid dat eiseres van deze - ernstige - gebeurtenis geen melding heeft gemaakt in het de aanvraag begeleidend sociaal rapport.

Ten aanzien van het verblijf in het Tjihapitkamp is de Raad met verweerster van oordeel dat het verblijf aldaar niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht om reden dat dit kamp tijdens de Bersiap-periode dienst heeft gedaan als beschermingskamp. Hoewel de bewoners van dergelijke kampen aan zekere vrijheidsbeperkingen waren onderworpen, is die situatie door verweerster - naar de Raad al in eerdere vergelijkbare zaken heeft geoordeeld - terecht niet als handeling of maatregel van de bezetter of als directe betrokkenheid bij ongeregeldheden in de zin van de Wet aangemerkt.

Uit een en ander volgt dat de door eiseres genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden. Daarmee is zeker niet miskend dat eiseres tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode angstige tijden heeft meegemaakt. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in die wet omschreven gebeurtenissen.

Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat dan ook geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2005.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

12.05