Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT7642

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
20-06-2005
Zaaknummer
02/5144 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AAW/WAO-uitkering. Terugvordering. Frauduleus handelen. Betrokkene gaf zich uit voor haar zuster en ontving op haar naam uitkering. Civielrechtelijke terugvordering toegestaan.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2005/315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/5144 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de erven van [naam betrokkene], die laatstelijk heeft gewoond te [woonplaats], appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens [naam betrokkene] heeft mr. M.I. Steinmetz, advocaat te Amsterdam, op bij beroepschrift van 10 oktober 2002 en aanvullende beroepschriften van 17 december 2002 en 21 augustus 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank onder dagtekening 30 augustus 2002 tussen [naam betrokkene] en gedaagde gegeven uitspraak (reg. nr.: AWB 00/13 AWAO), waarnaar hierbij wordt verwezen..

Gedaagde heeft op 26 november 2002 en van 6 oktober 2004 van verweer gediend.

Naar aanleiding van het overlijden van [naam betrokkene] op 6 juni 2004 heeft mr. Steinmetz de Raad bij brief van 18 oktober 2004 bericht dat de erven de procedure voortzetten.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 april 2005, waar appellanten zijn verschenen bij

mr. Steinmetz, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.S. van ’t Oor, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank, gelet op de gedingstukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak daaromtrent heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat wijlen [naam betrokkene] uit hoofde van de bij haar bestaande arbeidsongeschiktheid uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft ontvangen. Daarnaast is op enig moment aan gedaagde gebleken dat

[naam betrokkene] tijdens een deel van haar arbeidsongeschiktheidsperiode werkzaamheden heeft verricht op naam van haar zuster [naam zuster] en dat zij eveneens op naam van die zus arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van gedaagde heeft ontvangen. [naam betrokkene] heeft deze gang van zaken na ingesteld onderzoek indertijd ook erkend.

Bij een viertal primaire besluiten van 7 mei 1998 heeft gedaagde besloten de uitkering van [naam betrokkene] in verband met de door haar genoten inkomsten per 14 (lees: 1) juli 1983 uit te betalen als ware zij 65 tot 80% arbeidsongeschikt, per 1 januari 1984 uit te betalen als ware zij 35 tot 45% arbeidsongeschikt, per 1 januari 1985 niet uit te betalen en per 8 september 1988 wederom ongekort uit te betalen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Voorts is bij besluit van 2 juni 1998 tot terugvordering overgegaan van hetgeen [naam betrokkene] aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen teveel had ontvangen. Bij besluit van 15 juli 1998 heeft gedaagde de terugvordering op grond van de AAW en de WAO beperkt tot

f 46.050,85, zijnde het over het tijdvak van 1 juli 1983 tot 8 september 1988 per saldo teveel betaalde bedrag en aangekondigd dat een bedrag van f 254.620,11, dat op naam van [naam zuster] is betaald, van [naam betrokkene] langs civielrechtelijke weg zal worden teruggevorderd. Bij het op bezwaar genomen en thans bestreden besluit van 22 november 1999 heeft gedaagde deze besluiten gehandhaafd.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd voorzover daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van [naam betrokkene] met ingang van 1 januari 1984 in het kader van de kortingsartikelen is bepaald op 35 tot 45% en heeft, met in de plaatsstelling van het vernietigde deel van het bestreden besluit, de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum op 45 tot 55% bepaald.

Mede gelet op het verhandelde ter zitting, is het hoger beroep gericht op een tweetal rechtsvragen. Zich daartoe beperkend overweegt de Raad als volgt.

In de eerste plaats is tussen partijen nog in geschil of de door mr. P.F. Emmelot, advocaat te Amsterdam, namens gedaagde aan de toenmalige gemachtigde van [naam betrokkene] gezonden brief van 3 juli 1998 als een besluit moet worden aangemerkt als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat deze brief geen besluit in de zin van de Awb behelst, nu deze brief niet op rechtsgevolg is gericht. Deze brief kondigt immers slechts het nadien op grond van de AAW en de WAO door gedaagde genomen herzieningsbesluit van 15 juli 1998 aan, alsmede eventuele door gedaagde te nemen stappen om

[naam betrokkene] uit hoofde van een jegens hem gepleegde onrechtmatige daad aan te spreken. In deze brief is door

mr. Emmelot tevens vermeld dat hij zijn bemoeienis beperkt ziet tot de invordering van de door die onrechtmatige daad door gedaagde geleden schade tot een bedrag van f 254.620,11.

In de tweede plaats hebben appellanten betwist dat gedaagde gerechtigd is langs civielrechtelijke weg enig bedrag terug te vorderen, omdat de terugvorderingsartikelen in de AAW en de WAO gezien moeten worden als een lex specialis ten opzichte van het burgerlijk recht.

De rechtbank heeft daaromtrent geoordeeld dat van een administratiefrechtelijke band tussen gedaagde en [naam betrokkene] terzake van de betalingen op naam van haar zuster geen sprake kan zijn, nu de uitkeringen door het frauduleuze handelen van [naam betrokkene] (het zich voor haar zuster [naam zuster] uitgeven en op haar naam ontvangen van uitkering) weliswaar feitelijk door haar zijn genoten, maar terzake van deze uitkeringen slechts sprake kan zijn van een administratiefrechtelijke band tussen gedaagde en [naam zuster]. Aan het ontstaan en bestaan van die band wordt niet afgedaan door bij

[naam zuster] bestaande onbekendheid met die uitkeringen.

De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank. Aan de in hoger beroep opnieuw opgeworpen vraag of de terug- vorderingsartikelen in de AAW en de WAO in de weg staan aan terugvordering langs civielrechtelijke weg komt de Raad derhalve niet toe. Weliswaar heeft tussen [naam betrokkene] en gedaagde een administratiefrechtelijke band bestaan als gevolg van de door haar op haar eigen naam ontvangen uitkeringen, maar daaraan staat niet in de weg dat gedaagde van

[naam betrokkene] terugvordert wat zij uit anderen hoofde, te weten haar (toegegeven) frauduleus handelen, aan betalingen op naam van haar zuster van gedaagde feitelijk heeft ontvangen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.