Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT7578

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2005
Datum publicatie
16-06-2005
Zaaknummer
04/2408 ALGEM
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zijn betrokkenen terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar tegen de opgelegde correctienota's? Horeca-CAO loon. Redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/2408 ALGEM

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant 1] en [appellant 1], voormalige vennoten van de v.o.f. [v.o.f.], wonende te [woonplaats], appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellanten heeft mr. T. Tanghe, werkzaam bij Schuiteman Accountants & Adviseurs te Voorthuizen, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 23 maart 2004 onder kenmerk 02/2625 door de rechtbank Arnhem gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 mei 2005. Namens appellanten is daar verschenen

mr. Tanghe, terwijl gedaagde zich zoals tevoren schriftelijk bericht niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

In geding is de vraag of de rechtbank terecht ongegrond heeft verklaard het beroep van appellanten tegen het besluit van

21 oktober 2002 waarin zij door gedaagde niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun bezwaren tegen de correctienota’s van

10 juli 2002 met betrekking tot de jaren 1997 tot en met 2001, omdat appellanten bij het instellen van bezwaar de ingevolge artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken niet in acht hebben genomen, en niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat zij niet in verzuim zijn geweest. Tevens is in geding de vraag of gedaagde appellanten terecht de boetenota’s van 15 juli 2002 over voornoemde jaren heeft opgelegd.

De Raad overweegt als volgt.

Nu de nota’s zijn verzonden naar het bij gedaagde laatst bekende correspondentieadres van de v.o.f. [v.o.f.] en dit adres ook na ontbinding van de v.o.f. als zodanig in gebruik was in aanmerking genomen dat de persoonlijk adviseur en accountant van appellanten H. Schuiteman daar dagelijks de post ophaalde, zijn deze besluiten bekend gemaakt in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb en heeft de termijn waarbinnen appellanten een bezwaarschrift hadden kunnen indienen een aanvang genomen op de dag na die waarop de besluiten aan hen zijn toegezonden. Deze termijn hebben appellanten niet in acht genomen.

Het vorenstaande brengt mee dat voor het antwoord op de vraag of de termijnoverschrijding met toepassing van

artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar is, slechts beslissend kunnen zijn niet aan appellanten toe te rekenen feiten en omstandigheden, ten gevolge waarvan zij niet binnen de termijn van zes weken bezwaar hebben gemaakt. Zodanige feiten en omstandigheden ziet de Raad evenwel niet gelegen in het overlijden van H. Schuiteman op 30 juli 2002 aangezien appellanten nog voor het verstrijken van de bezwaartermijn op 21 augustus 2002 ruimschoots de gelegenheid hadden een (sauverend) bezwaarschrift in te dienen. Gedaagde heeft de bezwaren van appellanten tegen de correctienota’s terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Hiermee staat vast dat gedaagde terecht heeft geconstateerd dat het afgesproken loon lager is dan het loon conform de Horeca-CAO en zijn terecht correctienota’s opgelegd. Ten aanzien van de boetes onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat sprake is van opzet/grove schuld aan de zijde van appellanten. Een werkgever zal zich er in het algemeen bewust van moeten zijn welke loonopgave hij moet doen. In geval van twijfel ligt het op de weg van de werkgever om ter zake informatie in te winnen bij gedaagde.

Aan het vorenstaande doet niet af de door appellanten vermeende strekking van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat deze bepaling de formele rechtskracht niet ter zijde stelt. Evenmin ziet de Raad geen aanleiding appellanten te volgen in hun stelling dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in voornoemd artikel gezien de sedert de aankondiging van de boeteoplegging op 23 mei 2002 verstreken tijd.

De uitspraak van de rechtbank komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Stam in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2005.

(get.) R.C. Stam.

(get.) J.P. Mulder.