Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT7320

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2005
Datum publicatie
13-06-2005
Zaaknummer
03/6063 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na een verleend ontslag op verzoek trekt de ambtenaar het ontslagverzoek in omdat er ontslag op komst is uit nieuwe baan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/6063 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2003, AW 03/1152 NIFT, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 31 maart 2005. Daar is appellant in persoon verschenen en heeft gedaagde zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van der Heul en C. van Everdinck, beiden werkzaam bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.

1.1. Appellant was sedert 1980 in vaste dienst van gedaagde aangesteld en werkzaam bij de directie Zuid-Holland van Rijkswaterstaat (hierna: RWS). Op verzoek van appellant was zijn betrekkingsomvang met ingang van 1 april 2001 verminderd tot 25 uur per week. Bij besluit van 3 december 2001 was aan appellant de status van herplaatsingskandidaat verleend. Naar aanleiding van een opdracht van RWS om op 11 september 2002 te verschijnen voor nieuwe tijdelijke werkzaamheden heeft appellant bij brief van 8 september 2002 aan RWS bericht dat hij geen gehoor zal geven aan de oproep omdat hij met ingang van 12 september 2002 zijn ontslag indient. Bij besluit van 26 september 2002 is appellant in verband met hem nog uit te betalen verlofdagen formeel met ingang van 15 november 2002 ontslag verleend.

1.2. Bij brief van 5 november 2002 heeft appellant zijn ontslagverzoek ingetrokken, omdat hem inmiddels ontslag was aangezegd uit de nieuwe betrekking waarin hij was aangevangen. Appellant zag de door gedaagde aan zijn nieuwe werkgever verstrekte informatie als oorzaak voor het voorgenomen ontslag. Bij aanvullend bezwaarschrift is het verzoek van appellant van 5 november 2002 nader aangeduid als bezwaar tegen het ontslagbesluit van 26 september 2002.

1.3. Bij het bestreden besluit van 28 februari 2003 is het bezwaar ongegrond verklaard en het ontslagbesluit ongewijzigd in stand gelaten. Gedaagde zag geen grond voor de vaststelling dat het ontslagverzoek berustte op een dermate gebrekkige wil dat het verzoek niet aan appellant kon worden toegerekend. Gedaagde was van oordeel dat het belang van de dienst zich verzette tegen terugkeer van appellant en dat het belang van appellant bij hervatting van het dienstverband daarin geen verandering bracht.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het ontslag door de nieuwe werkgever te wijten is aan onrechtmatig gedrag van gedaagde, dat hij de betrekking bij een andere werkgever heeft gezocht en aanvaard vanwege het ontbreken van zichtbaar initiatief van gedaagde om te trachten hem in een passende functie te plaatsen en dat het dienstverband met gedaagde ten tijde van het ontslagverzoek nog bestond. Appellant heeft gewezen op zijn zeer grote belang bij het ongedaan maken van het ontslagbesluit in verband met zijn slechte financiële, sociale en maatschappelijke situatie.

3. De Raad stelt voorop dat hij het juist acht dat de brief van appellant van

5 november 2002 is aangemerkt als bezwaar tegen het ontslagbesluit. De Raad acht het in het verlengde daarvan eveneens juist dat gedaagde bij het bestreden besluit het primaire besluit aan de door artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven volledige heroverweging heeft onderworpen.

3.1. Aangezien appellants hoger beroep in wezen toegespitst is op de - door de rechtbank aanvaarde - belangenafweging door gedaagde moet de Raad de vraag beantwoorden of de handhaving, bij het bestreden besluit, van het ontslag op een evenwichtige belangen-afweging berust. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend waartoe hij het volgende overweegt.

3.2. Gedaagde heeft in het bestreden besluit als belang voor de dienst bij handhaving van het ontslag gewezen op de opheffing van appellants functie, de intrekking door appellant van zijn beroep tegen de status van herplaatsingskandidaat, de inmiddels vertroebelde arbeidsverhouding, de perikelen omtrent de herplaatsing van appellant en de in 2003 benodigde inkrimping van de personeelsomvang van RWS.

3.2.1. De Raad ziet niet in dat de intrekking door appellant van zijn beroep tegen de status van herplaatsingskandidaat gewicht in de schaal legt voor gedaagde. Door die intrekking is de door gedaagde aan appellant verleende status van herplaatsingskandidaat in rechte onaantastbaar geworden, welke status bij ongedaanmaking van het ontslag herleeft.

3.2.2. Aan de opheffing van appellants functie en zijn status van herplaatsingskandidaat in verbinding met de noodzakelijke aanzienlijke inkrimping van de personeelsomvang van RWS in 2003, kan naar het oordeel van de Raad slechts een beperkte betekenis toekomen als belang van gedaagde bij de handhaving van het ontslagbesluit. Het verval van appellants voormalige functie had er immers toe geleid dat gedaagde na de ontslagverlening aan appellant geen nieuwe functionaris had aangesteld of een andere ambtenaar op appellants functie had geplaatst. De inmiddels verstreken duur van de status van herplaatsingskandidaat, in samenhang met de omstandigheid dat appellant naar het oordeel van gedaagde moeilijk herplaatsbaar was, en de aanzienlijke reductie van de personeelsomvang brachten voorts mee dat het niet uitgesloten was dat appellant binnen afzienbare tijd voor ontslag wegens bedoelde inkrimping in aanmerking zou komen.

3.2.3. In aanmerking genomen de hiervoor geschetste rechtspositionele situatie van appellant komt aan de vertroebelde arbeidsverhouding, die blijkens de gedingstukken veroorzaakt werd door kritiek van appellant op tekortschietende inspanningen op het verkrijgen en behouden van passende werkzaamheden, wat daar verder ook van zij, dan ook eveneens een beperkte betekenis toe.

3.3. Het aan appellant, kort na het ontslag op eigen verzoek, uit zijn nieuwe betrekking verleende ontslag bracht mee, dat appellant geen werkkring met bijbehorend inkomen meer had en een aanzienlijk risico liep geen - aan zijn bezoldiging gerelateerde - uitkering te krijgen. Gelet op de leeftijd en gezondheid van appellant valt deze situatie niet anders dan als zeer zwaarwegend aan te merken. Daarmee is gegeven dat appellant een zeer groot belang had bij het herstel van het dienstverband met gedaagde. De omstandigheid dat appellant ten tijde van het bezwaar van 5 november 2002 nog in dienst van gedaagde was kan hierbij geenszins als een negatief aspect voor appellant worden aangemerkt.

3.4. De Raad is van oordeel dat gedaagde bij de door hem verrichte belangenafweging in redelijkheid niet kon komen tot het laten prevaleren van het beperkte belang van de dienst boven het zwaarwegende belang van appellant bij het herstel van het dienstverband.

3.5. Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen. De Raad zal gedaagde opdragen om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. Daarbij zal ook aandacht moeten worden besteed aan appellants verzoek om vergoeding van (rente) schade.

3.6. De grief van appellant over de verstrekking van gegevens aan de nieuwe werkgever behoeft, gezien het vorenstaande, geen bespreking meer.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand en tot een bedrag van

€ 3,36 aan reiskosten, zijnde in totaal € 325,36 en in hoger beroep tot een bedrag van

€ 16,66 aan reiskosten, in totaal derhalve tot een bedrag van € 342,02.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 februari 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag aan € 342,02, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 291,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en prof. mr. A.Q.C. Tak als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

25.05