Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT7265

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2005
Datum publicatie
13-06-2005
Zaaknummer
03/4753 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering berust niet op een publiekrechtelijke maar op een privaatrechtelijke grondslag. Bij het ontbreken van een publiekrechtelijke grondslag is de beslissing geen publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat die beslissing geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4753 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 augustus 2003, nr. AWB 01/3382 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop appellante heeft gereageerd.

Desgevraagd heeft gedaagde een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 april 2005, waar appellante in persoon is verschenen. Namens gedaagde is verschenen mr. A.H. Hamar de la Brethonière, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was werkzaam als juriste bij het Centraal Bureau voor de arbeidsvoorziening (Arbvo). Op 13 juni 1994 hebben gedaagde en Arbvo een Overeenkomst Interim-Functievervulling (hierna: IF-overeenkomst) afgesloten. Ingevolge deze overeenkomst werd appellante in het kader van onder andere het project privatisering ABP voor het tijdvak 1 juli 1994 tot en met 31 december 1994 de interimvervulling (hierna: IF) opgedragen van de functie juridisch beleidsmedewerker bij de directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Uitkeringen en Pensioenen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: het ministerie).

1.2. Op 10 januari 1995 is opnieuw tussen vorengenoemde partijen een IF-overeenkomst afgesloten, op grond waarvan appellante over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 28 februari 1995 eveneens de hiervoor genoemde functie tijdelijk vervulde. Vervolgens is appellante met ingang van 1 maart 1995 als juridisch beleidsmedewerker bij het ministerie met toepassing van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder e, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) in tijdelijke dienst aangesteld.

1.3. Bij brief van 5 september 2000 heeft appellante gedaagde verzocht om bemiddeling teneinde haar op grond van destijds met een functionaris van het ministerie gemaakte afspraken in aanmerking te doen brengen voor een salarisverhoging over de periode van

1 januari 1995 tot en met 28 februari 1995. Dat verzoek is bij brief van 16 oktober 2000 afgewezen, omdat gedaagde van oordeel was dat de directeur van Arbvo bevoegd was te beslissen over een eventuele salarisverhoging per 1 januari 1995.

1.4. Bij brief van 14 maart 2001 heeft appellante gedaagde onder bijvoeging van verklaringen van twee toenmalige personeelsfunctionarissen een verzoek van dezelfde strekking gedaan. Dit verzoek is door gedaagde bij beslissing van 2 april 2001 afgewezen. Voor de motivering van die afwijzing heeft gedaagde verwezen naar de brief van

16 oktober 2000.

1.5. Bij het bestreden besluit van 15 augustus 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen de beslissing van 2 april 2001 niet-ontvankelijk verklaard omdat die beslissing een informatief karakter heeft en niet gericht is op het teweegbrengen van enig rechtsgevolg, zodat geen sprake was van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt het volgende

3.1. Vast staat dat appellante bij Arbvo werkzaam was op basis van een privaatrech-telijke arbeidsovereenkomst.

Vanuit die rechtsverhouding heeft Arbvo als uitlenend orgaan appellante de gelegenheid geboden tot IF. Gedurende de IF-periode werd door Arbvo aan appellante loon uitbetaald. Gedaagde betaalde als inlenend orgaan ingevolge de IF-overeenkomst een vergoeding aan Arbvo voor de door appellante ten behoeve van gedaagde verrichte werkzaamheden.

3.2. Appellantes verzoek van 14 maart 2001 aan gedaagde moet, in dit licht bezien, aldus worden opgevat dat gedaagde over de maanden januari en februari 1995 een hogere vergoeding voor haar werkzaamheden aan Arbvo zou betalen. Daardoor zou appellante aanspraak kunnen maken op een hoger loon van Arbvo met als gevolg dat de grondslag van haar wachtgeld bij ontslag uit haar arbeidsovereenkomst bij Arbvo eveneens hoger zou worden.

3.3. De Raad is van oordeel dat de hoogte van de door gedaagde aan Arbvo te betalen vergoeding voor de door appellante verrichte werkzaamheden onderwerp is van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen gedaagde en Arbvo. Dit betekent dat de in de beslissing van 2 april 2001 vervatte weigering van gedaagde niet berust op een publiekrechtelijke maar op een privaatrechtelijke grondslag.

3.4. Bij het ontbreken van een publiekrechtelijke grondslag is de beslissing van 2 april 2001 geen publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat die beslissing geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Gelet hierop heeft gedaagde terecht bij het bestreden besluit het bezwaar tegen deze beslissing niet-ontvankelijk verklaard, zodat het bestreden besluit in rechte stand houdt.

4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD

30.05