Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT7173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
09-06-2005
Zaaknummer
03/2059 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag betrokkene omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 122 van het Rpr RDW door het aannemen van giften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/2059 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Directie van de Dienst Wegverkeer, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam onder nummer AW 02/1316-MES, op 8 april 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 30 juli 2003 heeft de voorzieningenrechter van de Raad het verzoek van appellant een voorlopige voorziening te treffen afgewezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 april 2005, waar appellant is verschenen, bijgestaan door M.J.A. Muller, juridisch adviseur te Boskoop, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegen-woordiger door mr. M.E.C.M. Paumen, advocaat te ’s-Gravenhage en door mr. H. Pasman en A. Nijboer, beiden werkzaam bij de Dienst Wegverkeer.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1 mei 1991 werkzaam als technisch medewerker bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer, later de Dienst Wegverkeer (hierna beiden te noemen RDW). In die functie verrichtte hij keuringen van voertuigen, laatstelijk bij en vanuit een keuringsstation te Waddinxveen.

1.2. Op 9 en 10 oktober 2001 is appellant door medewerkers van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Belastingdienst (hierna: FIOD) verhoord in het kader van een onderzoek naar aanleiding van een gerezen vermoeden van onder meer het aannemen van steekpenningen. In een rapport van 17 oktober 2001 is door die medewerkers van de FIOD geconcludeerd dat in totaal 11 auto’s niet daadwerkelijk zijn gekeurd terwijl appellant door het valselijk opmaken van keuringskaarten de indruk heeft gewekt deze auto’s wel op een keuringsstation gekeurd te hebben.

1.3. Bij brief van 5 november 2001 heeft gedaagde appellant te kennen gegeven dat naar aanleiding van dat onderzoek het voornemen bestond om eiser op grond van artikel 123, onder i, van het Rechtspositiereglement RDW (hierna Rpr RDW) de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Als onderbouwing daarvoor heeft gedaagde gesteld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 122 van het Rpr RDW door het aannemen van giften. Aldus heeft appellant volgens gedaagde het verbod van artikel 109 van het Rpr RDW overtreden. De overtreding bestond daaruit dat appellant een voertuig heeft aangenomen om niet, dan wel ver onder de marktwaarde. Appellant heeft zich daarmee volgens gedaagde in een positie gebracht die niet in overeenstemming is met een juiste vervulling van zijn functie. Voorts heeft appellant zich volgens gedaagde schuldig gemaakt aan plichtsverzuim door het keuren van voertuigen waarvoor appellant niet de door de RDW vastgestelde normen heeft gehanteerd. Voertuigen werden in een tiental gevallen van een goedkeuring voorzien terwijl appellant in de wetenschap verkeerde niet over voldoende gegevens te beschikken om tot een dergelijke goedkeuring over te gaan.

1.4. Appellant heeft bij brief van 6 november 2001 op dit voornemen gereageerd. Tevens heeft hij op 14 november 2001 mondeling verantwoording afgelegd en heeft hij op

29 november 2001 zijn stellingen nader schriftelijk toegelicht.

1.5. Bij besluit van 19 december 2001 heeft gedaagde appellant met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd onder hantering van de hiervoor weergegeven motivering.

1.6. De daartegen gerichte bezwaren heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van

13 mei 2002, onder overname van de overwegingen zoals die waren neergelegd in het desbetreffende advies van de hoorcommissie van dezelfde datum, ongegrond verklaard.

1.7. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2. De stellingen van appellant en gedaagde in hoger beroep vormen in grote lijnen een herhaling van hetgeen door hen reeds eerder in de procedure is aangevoerd. De Raad volstaat te verwijzen naar hetgeen daaromtrent is weergegeven in de aangevallen uitspraak.

3. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad kan zich geheel verenigen met het zorgvuldig onderbouwde oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.

4.2. De Raad onderschrijft niet de stelling van appellant dat gedaagde een eigen onderzoek had moeten verrichten en zich niet kon baseren op het FIOD-rapport. Uit dat rapport blijkt dat appellant op gezette tijden is gevraagd of hij in staat was om medewer-king te (blijven) verlenen aan het verhoor, hetgeen appellant bevestigend heeft beantwoord. Tevens heeft appellant getekend voor de juistheid van hetgeen in de processen-verbaal van 9 en 10 oktober 2001 was opgenomen. Dat hij daarbij op een ongeoorloofde wijze onder druk zou zijn gezet, of dat hij door zijn lichamelijke toestand niet heeft verklaard zoals hij heeft wensen te verklaren, is de Raad niet gebleken. Daarbij wijst de Raad er voorts op dat appellant in een later stadium, tijdens de mondelinge verantwoording, geen wezenlijk andere verklaringen heeft afgelegd.

4.3. Daarvan uitgaande stelt de Raad vast dat gedaagde een aantal auto’s in het geheel niet heeft gekeurd dan wel heeft gekeurd zonder dat hij daarbij de geldende RDW-normen heeft gehanteerd. De Raad wil aannemen dat onder omstandigheden wordt afgeweken van die normen, maar afgaande op de stukken en op het verklaarde ter zitting kan dit niet betekenen dat aldus essentiële vereisten met betrekking tot de veiligheid of verantwoord weggebruik worden geschonden. Dat appellant, mede gelet op het feit dat hij een aantal auto’s in het geheel niet aan een keuring heeft onderworpen, op een te rechtvaardigen manier is afgeweken van die normen is de Raad dan ook niet gebleken. Voorts is in dit verband van belang dat appellant toestemming had om aan het keuringsstation aan de [adres] technische bijstand te verlenen, maar dat het hem niet was toegestaan om keuringen te verrichten. Dat hij meende door aldus te handelen het imago van de RDW te kunnen verbeteren en dat dit van hem, met het oog op het ontplooien van eigen initiatieven, werd verwacht, is geen aanleiding om dit handelen niet of verminderd aan te rekenen, waarbij de Raad opmerkt dat niet is gebleken dat van appellant inderdaad een dergelijke opstelling werd verlangd.

4.4. Ten aanzien van de verwerving van de grijze BMW stelt de Raad vast dat zowel door het moment als de manier waarop die verwerving geschiedde, appellant zich in een positie heeft gebracht die op een ernstige manier inbreuk maakte op een juiste invulling van zijn functie, waarbij er duidelijk sprake was van zowel belangenverstrengeling als misbruik van zijn positie en waarbij de integriteit van de RDW in het geding was. De Raad wijst er daarbij nog op dat appellant ten aanzien van het aankoopbedrag telkens verschillende bedragen heeft genoemd, terwijl hij tevens een weinig geloofwaardige verklaring heeft afgelegd met betrekking tot het niet verlangen van een factuur van de desbetreffende aankoop. Uit de door appellant ingebrachte getuigenverklaringen aangaande twee aankopen van auto’s waarbij medewerkers van de RDW waren betrokken, uit welke verklaringen zou moeten blijken dat hij niet ongeoorloofd heeft gehandeld, merkt de Raad op dat die verklaringen juist aantonen dat die aankopen niet tijdens het keuringsproces geschiedden en dat het optreden als mogelijke koper door de betreffende medewerkers juist uitdrukkelijk werd gescheiden van hun activiteiten als medewerker van de RDW.

4.5. Het feit dat de leiding van de RDW in opspraak zou zijn geraakt door snoepreisjes in 1999 en 2004, wat daar verder ook van zij en welke betekenis in dit verband aan het begrip ‘snoepreisje’ moet worden toegekend, betekent niet dat het appellant vrijstond om te handelen op de manier zoals hij dat heeft gedaan. Dat hij in dit verband zou worden gebruikt als zondebok - wederom, wat daar verder ook van zij en welke betekenis daaraan zou moeten worden toegekend - is de Raad niet gebleken.

4.6. De Raad is dan ook met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige vorm van plichtsverzuim en dat gedaagde bevoegd was om in dat verband een disciplinaire straf op te leggen. Gelet op de aard en de ernst van de gedragingen is de Raad voorts van oordeel dat de straf van ontslag in dit geval niet onevenredig is te achten.

5. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

30.05