Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT7009

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-05-2005
Datum publicatie
13-06-2005
Zaaknummer
04/3812 BPW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag buitengewoon pensioen. Tweede generatie. Betrokkene stelt psychisch letsel te hebben opgelopen ten gevolge van verzetsactiviteiten van zijn vader in WO II.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/3812 BPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 24 juni 2004, kenmerk 86362, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, hierna: de Wet.

Namens eiser is tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld door mr. L. Rijpkema, advocaat te Groningen. In het beroepschrift, zoals aangevuld bij schrijven van 26 oktober 2004, zijn de gronden aangevoerd waarop het beroep van eiser steunt.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 april 2005. Aldaar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L. Rijpkema voornoemd en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. F.M.H. Kok, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren [in] 1932, heeft in april 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een buitengewoon pensioen ingevolge de Wet. Hierbij heeft

eiser - voor zover nog van belang - een beroep gedaan op artikel 3 van het ter uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Wet tot stand gebrachte koninklijk besluit van 8 juli 1978, Stb. 422 (hierna: het Besluit). Daartoe heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij psychisch letsel heeft opgelopen in verband met het verzet van zijn vader,

[vader], geboren op 25 mei 1898 en overleden in 1974. Eiser heeft in dit verband gesteld dat het verzet van zijn vader heeft bestaan uit het verlenen van onderduik aan meerdere personen in de door hen bewoonde grote vrijstaande villa gelegen aan destijds Ministerpark 18 in Hilversum. In dit verband is door de Duitse bezetter, naar eisers weergave, een tweetal huiszoekingen gehouden waarbij eiser als afleiding met zijn spoortrein moest gaan spelen op de toegang tot de schuilplek. Eisers vader zou ten behoeve van deze onderduikers ook andersoortige hulp hebben geboden (persoons-bewijzen, distributiebonnen) maar ter vermijding van onnodig risico heeft eisers vader, naar eiser stelt, uitsluitend alleen geopereerd en zich nimmer aangesloten bij een verzetsorganisatie.

Blijkens de gedingstukken heeft de Stichting 1940-1945, hierna: de Stichting, naar aanleiding van eisers aanvraag onderzoek verricht naar het mogelijke verzet van diens vader en onder dagtekening 26 september 2002 de in artikel 24, derde lid, van de Wet bedoelde verklaring verstrekt dat [vader] voornoemd niet heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet.

Verweerster heeft bij besluit van 22 oktober 2002 de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerster heeft daarbij in navolging van de Stichting het standpunt ingenomen dat eisers vader niet heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet en dat er mitsdien geen aanleiding is om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 3 van het Besluit.

Een namens eiser ingediend bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

Het tussen partijen bestaande geding spitst zich toe op de vraag of verweerster op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat eisers vader niet heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet.

De Raad neemt bij zijn oordeelsvorming tot uitgangspunt hetgeen omtrent de activiteiten van eisers vader uit het onderzoek van de Stichting naar voren is gekomen. Bij dat als uitgebreid te kwalificeren onderzoek zijn meerdere referenten gehoord, bij de Stichting berustende dossiers geraadpleegd alsmede algemene documentatie omtrent het verzet in Hilversum bestudeerd en voorts zijn verschillende instanties benaderd met vragen. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen verweersters besluit van 22 oktober 2002 heeft de Stichting aanvullend onderzoek verricht, waarbij nog nadere bronnen zijn geraadpleegd. Bij deze onderzoeken is komen vast te staan dat eisers vader aan twee personen afzonderlijk van elkaar onderduik heeft verschaft voor een betrekkelijk korte periode van een paar weken tot hooguit een paar maanden. Van het verlenen van onderdak aan andere onderduikers of andere hulp aan onderduikers is geen bevestiging verkregen. Voorts is komen vast te staan dat eisers vader, die tandarts was, Jan Lemaire, toen deze niet wilde optreden in een anti-semitisch hoorspel een preparaat in de mond heeft gespoten. Van overige illegale daden die door eisers vader zouden zijn gepleegd is niets komen vast te staan.

Met verweerster is de Raad van oordeel dat de hulpverlening aan onderduikers is te beschouwen als verzetsactiviteit, doch dat gelet op hetgeen is bekend geworden omtrent de duur en de omvang ervan, niet het niveau van verzet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet is bereikt. Laatst genoemde tijdens het nader onderzoek door de Stichting naar voren gekomen hulpverlening aan Jan Lemaire is naar het oordeel van de Raad op de door verweerster in het bestreden besluit weergegeven gronden niet aan te merken als daad van verzet.

Van de zijde van eiser is onder verwijzing naar een tot de gedingstukken behorende brief van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie nog betoogd dat het geven van onderduik in grotere omvang dan door de Stichting vastgesteld, gezien ook de woonsituatie van het gezin en de contacten die eisers vader tijdens de oorlog had, wel degelijk aannemelijk is te achten. In dit verband overweegt de Raad dat aannemelijk te achten activiteiten, die op geen enkele wijze bevestiging hebben gevonden, niet kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van verzet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet.

Hetgeen omtrent het verzet van eisers vader is komen vast te staan oordeelt de Raad onvoldoende om verweerster gehouden te achten toepassing te geven aan de haar ingevolge artikel 24, vierde lid, van de Wet toekomende bevoegdheid af te wijken van het door de Stichting ten aanzien van de verzetsdeelname door de vader van eiser ingenomen standpunt.

Gegeven de hiervoor weergegeven omstandigheid dat de vader van eiser niet kan worden gerekend tot de deelnemers aan het verzet als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet, heeft verweerster voorts, naar het oordeel van de Raad terecht, geen grond aanwezig gezien om toepassing te geven aan haar in artikel 3 van het Besluit gegeven bevoegdheid, reeds omdat niet is voldaan aan de in dat kader te stellen voorwaarde dat sprake moet zijn van verzet van derden.

Het vorenstaande betekent dat het beroep van eiser ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter, en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.

HD

18.05