Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT7003

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2005
Datum publicatie
13-06-2005
Zaaknummer
05-1608 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Is er spoedeisend belang? Is tijdelijk dienstverband terecht beëindigd? Functioneerde betrokkene voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1608 AW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bussum, gedaagde.

I. INLEIDING

Namens verzoeker en gedaagde is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2005, nrs. AWB 04/6547 AW en AWB 04/6549 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Tevens is namens verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 april 2005 waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B.R. Kuijlman, verbonden aan CNV Publieke Zaak. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Burger, werkzaam bij CAPRA en door M. Kip, werkzaam bij gedaagdes gemeente.

II. MOTIVERING

1. Voor de beoordeling van het onderhavige verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Gedaagde heeft verzoeker met ingang van 1 augustus 2003 als hoofd van de afdeling [afdeling] van de dienst Welzijn en Burgerzaken aangesteld in tijdelijke dienst voor een periode van een jaar. Blijkens de aanstellingsbrief is daarbij afgesproken dat aan verzoeker na één jaar goed functioneren, op voorwaarde van een goede eindbeoordeling, een vast dienstverband zou worden aangeboden en dat hij zou worden bevorderd naar de indicatieve functieschaal. Verder is vermeld dat, indien blijkt dat verzoeker, op basis van een beoordeling na 9 maanden, niet goed functioneert, het dienstverband met ingang van 1 februari 2005 wordt beëindigd en verzoeker gedurende de periode tot uiterlijk 1 februari 2005 een outplacementtraject zal worden aangeboden.

1.2. Op 18 november 2003 en op 13 februari 2004 zijn functioneringsgesprekken met verzoeker gehouden. In het laatste gesprek heeft het diensthoofd aangegeven dat verzoeker op een aantal onderdelen nog niet voldoet aan de verwachtingen en nu (nog) het voordeel van de twijfel krijgt. Ook is in dat laatste gesprek door het diensthoofd aan verzoeker een aanbod van gerichte coaching gedaan. Op 6 mei 2004 is door het diensthoofd een beoordeling opgemaakt. De totaalbeoordeling luidde “voldoende”,

maar de score was “onvoldoende” op de onderdelen in- en extern overleg, uitdrukkings-vaardigheid, contact, begeleiden en de communicatie in de lijn. Deze beoordeling is op 17, 19 en 24 mei 2004 met verzoeker besproken en op 17 juni 2004 heeft gedaagde de beoordeling vastgesteld (besluit 1). Bij afzonderlijk besluit van diezelfde datum heeft gedaagde het tijdelijk dienstverband van verzoeker verlengd tot uiterlijk 1 februari 2005, onder aanbieding van een outplacementtraject, conform de bij de aanstelling gemaakte afspraken (besluit 2).

1.3. Het door verzoeker tegen de besluiten 1 en 2 gemaakte bezwaar is bij besluiten van 10 december 2004 ongegrond verklaard.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, met toepassing van artikel 8:86 van de de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep van verzoeker tegen besluit 1 op de daartoe in de aangevallen uitspraak uiteengezette gronden gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, het beroep van verzoeker tegen besluit 2, welke in lijn met ’s Raads vaste rechtspraak door de voorzieningenrechter is opgevat als een beroep gericht tegen een na bezwaar gehandhaafde (impliciete) weigering verzoeker een vaste aanstelling te verlenen, ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen.

3. Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe dat de werking van de aangevallen uitspraak voorzover betrekking hebbend op besluit 2 wordt geschorst alsmede, dat gedaagde wordt opgedragen de bezoldiging door te betalen en verzoeker weer in dienst te nemen.

Als spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening voert verzoeker financiële motieven aan en het belang dat hangende de hoger beroepsprocedure zijn functie niet vacant wordt gesteld en weer vervuld.

4. Naar aanleiding van het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de

Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dat vereist. Daarbij kan mede in

beeld komen de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat (de aangevallen uitspraak en) het bestreden besluit niet in stand kan (kunnen) blijven. Bij

dat laatste dient te worden opgemerkt dat voorzover in deze procedure een oordeel met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, dit oordeel een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de uitspraak van de Raad in de hoofdzaak.

4.2. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd een voldoende spoedeisend belang en een voldoende samenhang met het tussen partijen bestaande bodemgeschil. De voorzieningenrechter moet derhalve antwoord geven op de vraag of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak voorzover deze ziet op besluit 2 in hoger beroep geen stand zal houden.

4.2.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de toetsing van de in geding zijnde (impliciete) weigering verzoeker een vaste aanstelling te verlenen na afloop van de proeftijd is beperkt tot de vraag of, behoudens anderszins strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, gedaagde in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat verzoeker niet aan de door gedaagde in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan.

4.2.2. Met de rechter in eerste aanleg en anders dan verzoeker kennelijk wil betogen

leest de voorzieningenrechter in de in de aanstellingsbrief gemaakte afspraken niet de toezegging van gedaagde dat een vaste aanstelling volgt indien de totaalscore op de eindbeoordeling “voldoende” luidt. Nog daargelaten dat voldoende functioneren niet

op één lijn kan worden gesteld met goed functioneren - het betreft hier immers twee te onderscheiden scores volgens het beoordelingssysteem - met goed functioneren en eindbeoordeling heeft gedaagde ook niet uitsluitend de scores op het beoordelings-formulier voor ogen gehad. De aanstellingsbrief laat aan gedaagde, zoals de rechter in eerste aanleg terecht heeft overwogen, een zekere ruimte bij de vaststelling of is voldaan aan de voorwaarden voor een vaste aanstelling.

4.2.3. Uit de gedingstukken, waaronder de door het diensthoofd verstrekte informatie, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat op een aantal - voornamelijk communicatieve en, gelet op de aard van de functie: wezenlijke - aspecten van de functievervulling kritiek bestond en dat verzoeker steeds met die kritiek is geconfronteerd. Verzoeker heeft weliswaar aangegeven zich in geen enkel opzicht te herkennen in die kritiek, maar dat staat er niet aan in de weg dat uit het dossier het beeld op rijst van een functionaris die niet althans onvoldoende in staat is om op cruciale punten aan de eisen van zijn functie te voldoen. De gebeurtenissen die zich na de aangevallen uitspraak hebben voorgedaan en de stukken daarover bevestigen dat beeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is bij de aangevallen uitspraak voorts terecht geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat verzoeker onvoldoende kansen zijn geboden zijn functioneren te verbeteren, nu verzoeker herhaaldelijk op zijn functioneren is aangesproken en hem coaching is aangeboden.

4.2.4. Aangezien de voorzieningenrechter, ondanks het namens en door verzoeker ter terechtzitting betoogde, niet is gebleken dat gedaagde is uitgegaan van eisen of verwachtingen, welke aan een leidinggevende functie als de onderhavige in redelijkheid niet mochten worden gesteld, en ook overigens niet van strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is gebleken, acht de voorzieningenrechter het niet waarschijnlijk dat de uitspraak voorzover deze ziet op besluit 2 door de Raad niet in stand zal worden gelaten.

5. Gelet op het vorenstaande komt het verzoek om voorlopige voorziening niet voor inwilliging in aanmerking.

6. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen grond.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Aldus gegeven door mr. K. Zeilemaker als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2005.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.J.W. Loots.

JvS

2704