Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT6930

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2005
Datum publicatie
13-06-2005
Zaaknummer
05-2107 MAW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Betrokkene is in dienst van de Koninklijke marine, als luitenant ter zee en heeft nog een dienstverplichting. Afwijzing van verzoek ontslag om de opleiding tot rechterlijk ambtenaar (RAIO) te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2107 MAW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. INLEIDING

Namens verzoekster is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Gravenhage van 25 november 2004, nr. AWB 04/2886 MAWKMA, waarbij het beroep van verzoekster tegen de handhaving door gedaagde van zijn afwijzing van

het verzoek om ontslag ongegrond is verklaard.

Vervolgens is namens verzoekster het verzoek gedaan een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkend dat de afwijzing van haar verzoek om ontslag wordt geschorst en dat zij in de gelegenheid wordt gesteld per oktober 2005 de opleiding tot rechterlijk ambtenaar (RAIO) te gaan volgen.

Desgevraagd heeft gedaagde nadere stukken aan de Raad gezonden.

Namens verzoekster zijn vervolgens ook nog enkele stukken ingebracht.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 29 april 2005, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S.E.B. Gorsira en mr. C.A.D. Berkhuizen, beiden werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoekster is sedert 1994 in dienst van de Koninklijke marine (KM), laatstelijk als luitenant ter zee (LTZ) 2e klasse oudste categorie. Zij heeft de officiersopleiding gevolgd aan het Koninklijk Instituut voor de Marine en heeft daarnaast - in eigen tijd, maar op kosten van de KM - de studie Nederlands recht gevolgd die zij in april 2003 met goed gevolg heeft afgerond. Op grond van artikel 7, derde lid, onder a, van de Beleidsregels aanstelling militairen zeemacht rust op verzoekster een zogenoemde dienverplichting tot 24 augustus 2006.

1.2. Bij rekest van 23 januari 2004 heeft verzoekster gedaagde verzocht om met ingang van 1 oktober 2004 eervol uit de Rijkszeedienst te worden ontslagen. Als toelichting bij dat rekest heeft verzoekster aangegeven dat de KM haar geen toekomstperspectieven kan bieden om als zeeofficier/jurist werkzaam te zijn. In dat licht acht verzoekster zich niet meer aan haar dienverplichting gebonden nu binnen de KM een bevorderingsstop is afgekondigd en de bezuinigingen dermate ingrijpend zijn dat haar niet meer dezelfde carrièremogelijkheden kunnen worden geboden als destijds in 1994. Tevens heeft verzoekster aangegeven dat zij met ingang van 1 oktober 2004 bij het Ministerie van Justitie in dienst kan treden om aldaar de RAIO-opleiding te volgen. Bij besluit van 31 maart 2004 is haar ontslagverzoek afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 10 juni 2004 ongegrond verklaard.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 juni 2004 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde in de omstandigheid dat verzoekster is toegelaten tot de RAIO-opleiding geen aanleiding heeft behoren te zien om een uitzondering te maken op zijn beleid inzake ontslagaanvragen tijdens dienverplichtingen, omdat er geen leeftijdsgrens meer geldt voor deelname aan de RAIO-opleiding en verzoekster dus ook na het uitdienen bij de KM voor de RAIO-opleiding in aanmerking kan komen. Voorts heeft de rechtbank geen grond aanwezig geacht voor de stelling van verzoekster dat de KM onvoldoende carrièremogelijkheden voor haar heeft, en was de rechtbank van oordeel dat verzoekster er onvoldoende in was geslaagd om aannemelijk te maken dat de Defensieorganisatie haar niet meer nodig heeft. Ook kon naar het oordeel van de rechtbank het beroep van verzoekster op het zogenoemde profijtbeginsel geen doel treffen nu de dienverplichting van verzoekster specifiek is gekoppeld aan een officiersfunctie binnen de krijgsmacht en niet aan een overheidsfunctie in het algemeen. De rechtbank heeft tot slot nog ten overvloede overwogen dat de op 20 augustus 2004 ingetreden situationele arbeidsongeschiktheid van verzoekster niet kan afdoen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit van 10 juni 2004, maar wellicht aanleiding zou kunnen geven tot een heropening van het overleg met verzoekster over een eerder vertrek uit de krijgsmacht.

1.4. Zoals in rubriek I is vermeld, is namens verzoekster tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Vervolgens is de voorzieningenrechter van de Raad verzocht om een voorlopige voorziening te treffen als onder I vermeld. Daarbij heeft verzoekster erop gewezen dat zij vóór 1 juni 2005 moet laten weten of zij daadwerkelijk kan deelnemen aan de RAIO-opleiding die op 1 oktober 2005 aanvangt.

2. Door en namens verzoekster wordt - kort weergegeven - het standpunt herhaald dat in haar geval wel degelijk sprake is van bijzondere omstandigheden. Volgens verzoekster is vanwege de talloze reorganisaties en bezuinigingen bij de KM, waaronder een bevorderingsstop, het haar bij aanstelling voorgehouden carrièreperspectief volledig veranderd. Daarnaast heeft verzoekster naar voren gebracht dat in de Defensieorganisatie voor haar - noch als zeeofficier noch als jurist - geen plaats meer is. Voorts heeft zij er opnieuw op gewezen dat zij een overstap wenst te maken naar het Ministerie van Justitie waardoor de rijksoverheid nog immer profijt zal hebben van de (opleidings)investeringen die de KM in haar persoon heeft gedaan. Ook heeft verzoekster aangegeven dat zij afwil van de, zoals zij dat noemt, “ziekmakende werkomstandigheden” bij de KM en heeft daartoe gewezen op de brief van het Hoofd van de afdeling Begeleiding en Reïntegratie Sociaal Medische Dienst KM van 28 oktober 2004 en op het geneeskundig onderzoek van 22 februari 2005 waarvan de conclusie is dat verzoekster ongeschikt wordt geacht voor de uitoefening van de dienst. Tot slot heeft verzoekster een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en daartoe gewezen op de LTZ Bal, die ondanks de nog op haar rustende dienverplichting wel eervol ontslag heeft gekregen.

3. Namens gedaagde is gewezen op het - in zaken als de onderhavige - geldende en strikt gehanteerde beleid, inhoudende dat zolang op een militair een verplichting rust om deel uit te maken van het beroepspersoneel voor onbepaalde tijd, een ontslagverzoek wordt afgewezen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in redelijkheid moet worden vastgesteld dat het organisatiebelang behoort te wijken voor het persoonlijke belang van die militair. Naar de opvatting van gedaagde is in het geval van verzoekster geen sprake van bijzondere omstandigheden die voorgaan op het organisatiebelang, omdat de organisatie, ondanks de inkrimping wegens reorganisatie, een groot tekort heeft aan militairen met juridische kennis. Ten aanzien van de “ziekmakende omstandigheden” heeft gedaagde nogmaals benadrukt dat ten tijde

van het nemen van het bestreden besluit van 10 juni 2004 van enig vermoeden van dienstongeschiktheid van verzoekster geen sprake was. Met betrekking tot het beroep van verzoekster op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaagde betwist dat in casu sprake zou zijn van gelijke gevallen. Onder meer is naar voren gebracht dat het bij de LTZ Bal gaat om iemand die haar partner is gevolgd naar Australië, waar deze is gaan dienen bij de Australische marine.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij komt in een geval als het onderhavige mede de vraag in beeld of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven, met dien verstande dat voorzover de voorzieningen-rechter in deze procedure een oordeel geeft met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak, dit oordeel een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.2. Het antwoord op de onder 4.1. geformuleerde vraag hangt af van de beantwoording van de vraag of gezegd moet worden dat gedaagde het verzoek om ontslag per

1 oktober 2004 niet in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

4.3. De voorzieningenrechter beantwoordt deze laatste vraag ontkennend. Hij stelt daarbij voorop dat de aangevallen uitspraak betrekking heeft op de weigering om verzoekster ontslag te verlenen met ingang van 1 oktober 2004. Hij ziet onvoldoende aanknopings-punten voor de stelling van verzoekster dat in haar geval - ten tijde hier van belang - sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de door haar gewenste ontheffing van de dienverplichting moest worden verleend; niet in de laatste plaats omdat de door haar gestelde volledige verandering van carrièreperspectief binnen de KM op generlei wijze met concrete feiten is onderbouwd. Een zelfde oordeel treft de eveneens niet onderbouwde en door gedaagde weersproken stelling van verzoekster dat binnen de Defensieorganisatie voor haar geen plaats was. Ook ten aanzien van hetgeen namens verzoekster in het kader van het profijtbeginsel naar voren is gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen reden om haar te volgen, nu ook naar zijn oordeel de dienverplichting specifiek gebonden is aan de officiersfunctie van verzoekster binnen de krijgsmacht.

4.4. Met betrekking tot de grieven van verzoekster inzake de “ziekmakende werkomstandigheden” bij de KM, de in dat verband onder 2. vermelde feiten en het medische traject dat gedaagde inmiddels ten aanzien van verzoekster heeft ingezet, stelt de voorzieningenrechter vast dat dit alles in hoofdzaak betrekking heeft op de periode die ligt na de datum hier in geding. Reeds daarom kan dit geen doel treffen tegen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit van 10 juni 2004.

4.5. In het licht van hetgeen namens gedaagde naar voren is gebracht over de situatie

van de LTZ Bal ziet de voorzieningenrechter het beroep van verzoekster op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

5. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet in redelijke mate waarschijnlijk is dat de aangevallen uitspraak in de hoofdzaak zal worden vernietigd. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb moet daarom worden afgewezen.

6. Naar aanleiding van al hetgeen is aangevoerd aan feiten en omstandigheden van na de datum ten tijde hier in geding merkt de voorzieningenrechter ten overvloede op, zoals ook de rechtbank reeds deed naar aanleiding van de bij haar opgekomen latere ontwikkelingen, dat de huidige situatie van verzoekster bepaald een andere is dan die waarop de aangevallen uitspraak betrekking heeft.

7. Aangezien de voorzieningenrechter voorts geen aanleiding ziet toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

JvS

0905