Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT6806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2005
Datum publicatie
06-06-2005
Zaaknummer
04/1935 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gerechtssecretaris strafsector wordt na overplaatsing naar Team Jeugd ontslagen. Hoorplicht. Is herkansing zinvol? Is goede samenwerking nog mogelijk? Is ontslag terecht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1935 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het bestuur van de rechtbank Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 februari 2004, nr. AWB 04/448 en 04/449 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 28 april 2005 waar namens appellant is verschenen mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Waegeningh, advocaat te ’s-Gravenhage.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Bij besluit van 2 april 2003 is appellant met ingang van 1 april 2003 en tot 1 april 2004 aangesteld als gerechtssecretaris bij de sector strafrecht van de rechtbank Amsterdam voor het verrichten van werkzaamheden waarvoor slechts tijdelijk een beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan als bedoeld in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

1.2. Reeds kort na aanvang van de werkzaamheden doen zich problemen voor in de omgang van appellant met zijn collega’s. Appellant geeft bij herhaling uiting aan de mening dat collega’s minder prettige dingen over hem als persoon tegen elkaar zeggen. Deze collega’s ontkennen dat met nadruk en geven aan dat appellant soms vreemd op hen reageert. Appellant meldt zich naar aanleiding van al dan niet vermeende incidenten meer dan eens ziek.

1.3. Na zijn voornemen daartoe bij brief van 27 mei 2003 aan appellant kenbaar te hebben gemaakt, heeft gedaagde hem bij besluit van 6 juni 2003 met ingang van 1 juli 2003 ontslagen met toepassing van artikel 95, tweede lid, van het ARAR. Gedaagde heeft daarbij opgemerkt er geen vertrouwen meer in te hebben dat appellant in de toekomst (wel) zal voldoen aan door hem omtrent het functioneren van appellant als gerechts-secretaris gestelde verwachtingen.

1.4. Bij uitspraak van 14 juli 2003 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage de werking van het besluit van 6 juni 2003 geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. In deze uitspraak heeft de voorzieningen-rechter overwogen dat appellant voorafgaande aan het ontslagbesluit in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet is gehoord. Weliswaar heeft appellant gelegenheid gekregen zijn zienswijze kenbaar te maken maar de daarvoor gestelde termijn was te kort. Appellant heeft pas op 6 juni 2003 kennis kunnen nemen van de bevindingen die tot zijn ontslag hebben geleid. Niet valt in te zien waarom gedaagde de bij faxbericht van 4 juni 2003 aangekondigde zienswijze van appellant niet heeft afgewacht, te meer niet nu slechts een week uitstel was gevraagd.

1.5. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn tussen partijen afspraken gemaakt die inhielden dat appellant ingaande 11 augustus 2003 werkzaam zou zijn bij het team Jeugd. Reeds op 11 augustus 2003 ontstond onenigheid tussen appellant en de plaatsvervangend voorzitter van het team Jeugd, waarna appellant zich de volgende dag ziek meldde. Appellant heeft sedertdien niet meer voor gedaagde gewerkt.

1.6. Bij besluit van 8 januari 2004 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het onder 1.3. vermelde besluit van 6 juni 2003 ongegrond verklaard. In eerstgenoemd besluit heeft gedaagde een overzicht gegeven van een groot aantal gedragingen van appellant in de maanden april en mei 2003 die door gedaagde als zeer ongewenst zijn aangemerkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 8 januari 2004 gegrond verklaard. De rechtbank overwoog in dit verband dat appellant in strijd met artikel 4:8 van de Awb in het primaire besluitvormingsproces geen reële kans heeft gehad om zijn zienswijze te laten meewegen. Gezien de ernst van deze tekortkoming heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft echter termen aanwezig gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe heeft de rechtbank er op gewezen dat een ontslag ingevolge het te dezen toegepaste tweede lid van artikel 95 van het ARAR op elke redelijke grond mogelijk is. Voorts stond voor de rechtbank voldoende vast dat er met betrekking tot de attitude en het werkgedrag van appellant gegronde klachten waren en dat er in zijn naaste werk-omgeving een zodanige situatie was gegroeid dat een goede samenwerking niet meer mogelijk was. Deze situatie moest vooral aan appellant worden toegeschreven. Gedaagde heeft dan ook in alle redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat appellant niet voldeed aan de verwachtingen die gedaagde redelijkerwijs mocht hebben met betrekking tot het functioneren als gerechtssecretaris.

3. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 maart 2004, LJN AP3635, TAR 2004, 90, is daarbij naar voren gebracht dat appellant gedaagde na de hem niet te verwijten uitval op 12 augustus 2003, een herkansing had moeten bieden om te bewijzen dat hij in staat was zijn functie naar behoren te vervullen.

4.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat er aanleiding bestond om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten en kan zich ook verenigen met de overwegingen waarop dit oordeel berust. Gelet op hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, merkt de Raad voorts op dat het bestuursorgaan in de zaak waarop de door appellant genoemde uitspraak van de Raad van 18 maart 2004 betrekking heeft, zelf van mening was dat de betrokkene na de eerste proefperiode waarin zij zich niet voldoende had bewezen, een herkansingsmogelijkheid diende te worden geboden; de Raad gaf in die zaak als zijn oordeel dat bedoelde mogelijkheid dan een reëel karakter dient te hebben. Hierin onderscheidt die zaak zich van de thans voorliggende. Gedaagde heeft appellant op 11 augustus 2003 immers uitsluitend te werk gesteld omdat hij zich daartoe op grond van de onder 1.4. vermelde uitspraak van 14 juli 2003 van de voorzieningenrechter van de rechtbank genoodzaakt voelde. Ten gevolge van de door die rechter uitgesproken schorsing van het besluit van 6 juni 2003 was het dienstverband van appellant ook weer tot leven gekomen. De basis hiervan was evenwel een slechts voorlopige, immers gelegen in de uitspraak van de voorzieningenrechter, zodat aan dit verlengde dienstverband voor de beoordeling van dit geschil geen betekenis toekomt.

4.2. Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en prof. mr. F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.