Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT6727

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-05-2005
Datum publicatie
06-06-2005
Zaaknummer
03/1459 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is salarisinschaling van docente -een late intreedster- in tijdelijke dienst correct? Is voldoende rekening gehouden met (on) betaalde werk- en levenservaring? Discriminatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/1459 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Bestuurscommissie van het Linnaeus College Haarlem, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 december 2002, nr. Awb 02-559 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Desgevraagd zijn van de zijde van gedaagde nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 januari 2005 waar namens appellante is verschenen mr. M.F. Baltussen, advocaat te Zoetermeer.

Namens gedaagde is ter zitting verschenen J.L. Janssens, werkzaam als rector bij het Linnaeus College te Haarlem.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante, geboren in 1953, heeft in 1984 haar MO-A diploma Geschiedenis behaald. Vanaf dat moment was zij bevoegd om les te geven. Zij heeft zich toen evenwel gericht op verdere studie en de verzorging en opvoeding van haar dochter. Nadat zij in 1991 haar doctoraal examen Geschiedenis had behaald aan de universiteit heeft zij getracht een functie in het onderwijs te verwerven. In de periode 1991 tot 2001 is zij drie maal gedurende enkele maanden als docente (invalster) werkzaam geweest. In deze periode heeft zij ook werkzaamheden buiten het onderwijs verricht.

1.2. Bij besluit van 16 januari 2002 heeft de rector van het Linnaeus College (hierna: de rector) namens gedaagde appellante als docente [vak] aangesteld in tijdelijke dienst van 3 december 2001 tot 1 augustus 2002. Zij werd met toepassing van het toen geldende artikel G5 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Voortgezet Onderwijs (CAO-VO) ingeschaald in schaal LB (schaal 10), salarisnummer 5. Gedaagde heeft bij de inschaling als uitgangspunt genomen de datum in 1984 waarop appellante haar onderwijsbevoegdheid heeft behaald. Op die datum is haar maandsalaris op schaal LB, salarisnummer 1 gesteld. Vervolgens heeft gedaagde voor de eerste periode van 6 jaren daarna het maandsalaris met twee periodieken verhoogd en daarna voor elke periode van vier jaar met 1 periodiek.

1.3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt voorzover het de inschaling betreft. Bij het thans bestreden besluit van 8 maart 2002 heeft de rector het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 januari 2002 ongegrond verklaard.

2. Het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar onder andere de uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling van 29 december 2000, nr. 2000-99, LJN AG7768, gepubliceerd in JAR 2001/27, aangevoerd dat toepassing van artikel G5 van de CAO-VO tot gevolg heeft dat indirect onderscheid wordt gemaakt op grond van geslacht, nu ambtenaren die hun loopbaan in het onderwijs hebben onderbroken (de zogeheten herintreedsters), of eerder hun onderwijsbevoegdheid hebben behaald maar op een later tijdstip hun loopbaan binnen het onderwijs beginnen (de zogeheten late intreedsters), lager worden ingeschaald dan ambtenaren die hun loopbaan binnen het onderwijs niet hebben onderbroken. Volgens appellante wordt bij toepassing van de forfaitaire regeling van artikel G5 van de CAO-VO onvoldoende rekening gehouden met (on)betaalde werk- en levenservaring.

3.2. Omdat het met name vrouwelijke werknemers zijn die hun loopbaan onderbreken of op latere leeftijd voor het eerst een onderwijsfunctie vervullen in verband met de zorg voor kinderen, levert toepassing van artikel G5 van de CAO-VO naar de mening van appellante een verboden onderscheid op in de zin van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de artikelen 1 en 5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb).

3.3. Voorts heeft appellante aangevoerd dat sprake is van indirect onderscheid naar geslacht doordat zij door toepassing van artikel G5 van de CAO-VO ongelijk wordt behandeld ten opzichte van (met name mannelijke) ambtenaren die voor 1 april 1985 reeds bij het onderwijs in dienst waren en een garantie in het kader van de zogeheten Herziening Onderwijs Salarisstructuur (HOS) hebben gekregen. Ook dit levert naar de mening van appellante een verboden onderscheid op in de zin van artikel 26 van het IVBPR, artikel 14 van het EVRM en de artikelen 1 en 5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awgb. Voor dit standpunt heeft appellante eveneens verwezen naar genoemde uitspraak van de CGB van 29 december 2000.

4. Met betrekking tot de bevoegdheid om op het bezwaar van appellante te beslissen overweegt de Raad ambtshalve als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 10:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. In het derde lid is bepaald dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.

4.2. In het onderhavige geval is zowel het primaire besluit van 16 januari 2002 als het bestreden besluit van 8 maart 2002 in mandaat genomen door de rector.

Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb is genomen en om die reden dient te worden vernietigd.

5. Nu genoegzaam is gebleken dat gedaagde zich inhoudelijk met het bestreden besluit kan verenigen en namens appellante ter zitting is verzocht om een beoordeling ten gronde door de Raad, zal de Raad onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit al dan niet in stand kunnen worden gelaten.

5.1. Ingevolge artikel G3 van de CAO-VO 2000-2002 (hierna de CAO, voordien artikel

I-P8 van het Rpbo) wordt voor de medewerker die wordt benoemd in een onderwijs-functie in aansluiting op een andere dienstbetrekking in het onderwijs, aangesloten bij het laatstgenoten salaris. In artikel G5, eerste lid, van de CAO (voordien I-P10 van het Rpbo) is bepaald dat, indien de werknemer wordt benoemd in een functie na gedurende vier of meer achtereenvolgende schooljaren geen onderwijsfunctie te hebben vervuld, zijn maandsalaris bij indiensttreding vastgesteld wordt overeenkomstig het gestelde in artikel G3. Voor elke periode van vier jaar waarin geen onderwijsfunctie werd vervuld wordt het maandsalaris bij indiensttreding met een periodiek verhoogd. Op grond van artikel G5, tweede lid, van de CAO wordt de in eerste lid bedoelde periode van vier schooljaren verkort tot drie schooljaren gedurende de eerste zes schooljaren waarin geen onderwijsfunctie werd vervuld.

Ingevolge het derde lid van artikel G5 van de CAO wordt het maandsalaris van de werknemer die voor de eerste keer wordt benoemd in een onderwijsfunctie, voor elke periode van vier jaar na het verwerven van de vereiste bevoegdheid met een periodiek verhoogd.

5.2. De Raad stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat meer vrouwen dan mannen hun beroepsloopbaan onderbreken dan wel op een later moment hun loopbaan beginnen in verband met de zorg voor kinderen. De desbetreffende vrouwen hebben bij (her)intreding minder betaalde werkervaring en anciënniteitjaren, met als gevolg dat zij bij (her)intreding in een functie in het voortgezet onderwijs gelet op de daar geldende salarisvoorschriften bij inschaling een lager salaris krijgen dan personen van dezelfde leeftijd die niet in een situatie als evenbedoeld verkeerden. Dit brengt mee dat bij de salariëring sprake is van een indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen.

5.3. De Raad is evenwel van oordeel dat aan dit onderscheid, voorzover dat niet is weggenomen door de in 5.1. weergegeven artikelen van de CAO, een legitiem doel ten grondslag ligt, te weten het verdisconteren van ervaringsjaren in het onderwijs. Het gebezigde middel ter bereiking van dit doel is voorts naar het oordeel van de Raad passend en proportioneel te achten. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

5.3.1. Artikel G5 van de CAO bevat regels voor de vaststelling van het maandsalaris bij indiensttreding bij een onderbroken dienstverband. Door de toepassing van dit artikel is op een geobjectiveerde wijze een salaris voor appellante vastgesteld, waarbij beoogd is zoveel mogelijk recht te doen aan de onder 3.1. genoemde omstandigheden tengevolge waarvan zij nauwelijks enige onderwijservaring van betekenis heeft kunnen opdoen. Aan appellanten zijn dan ook vijf anciënniteitperiodieken toegekend.

5.3.2. De Raad is van oordeel dat in de beginfase van een onderwijsloopbaan een beloningsverschil gerechtvaardigd kan worden door een surplus aan onderwijservaring van collega’s. Dit neemt niet weg dat het geboden kan zijn dat de werkgever na verloop van tijd nagaat of een beloningsverschil gebaseerd op een aanmerkelijk verschil in ervaring bij indiensttreding nog gerechtvaardigd is, maar dat is in het bestreden besluit niet aan de orde.

5.3.3. Dat het feitelijke salarisverschil tussen appellante en haar mannelijke collega’s binnen de vakgroep [vak] (of andere vakgroepen) in de (korte) periode van haar aanstelling niet kan worden gerechtvaardigd door een relevant verschil in onderwijservaring is niet door appellante aangetoond.

5.3.4. De Raad is verder van oordeel dat de ervaring waarmee gedaagde volgens appellante bij haar inschaling door de toepassing van de forfaitaire regeling van artikel G5 van de CAO-VO ten onrechte geen rekening heeft gehouden, zoals didactische vaardigheden verkregen door de opvoeding van haar dochter en haar ervaring als journaliste en onderzoeksmedewerkster, in redelijkheid niet op dezelfde waarde kan worden gesteld als de ervaring van personen die reeds een aanzienlijk aantal jaren in het onderwijs werkzaam zijn. Appellante heeft niet aangetoond dat deze ervaring van zodanige betekenis voor het vervullen van haar functie is dat gedaagde haar bij indiensttreding een hogere anciënniteit had moeten toekennen dan is geschied.

5.3.5. De Raad merkt in dit verband ten slotte nog op dat gedaagde appellante, vooruitlopend op de wijziging van artikel G6 in de CAO-VO 2002-2003, heeft toegezegd dat twee jaar na appellantes indiensttreding bezien zal worden of het beloningsverschil tussen appellante en haar mannelijke collega’s met een groot aantal dienstjaren nog gerechtvaardigd is en of er aanleiding bestaat appellante twee extra periodieken toe te kennen, ten einde binnen redelijke termijn de beloningachterstand in te lopen. Uiteindelijk is gedaagde aan een zodanig onderzoek niet toegekomen, omdat de aanstelling van appellante na 9 maanden niet is verlengd vanwege indiensttreding elders.

5.4. Gezien het vorenstaande kan de Raad appellante niet volgen in haar stelling dat toepassing van artikel G5 van de CAO-VO een verboden onderscheid in de salariëring oplevert tussen appellante en haar meer ervaren collega’s met een groot aantal dienstjaren.

6. De Raad komt vervolgens toe aan het betoog van appellante dat zij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van de met name mannelijke ambtenaren die voor 1 april 1985 reeds in het onderwijs werkzaam waren en de zogeheten HOS-garantie hebben verkregen.

6.1. Per 1 april 1985 zijn in het (toenmalige) Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo) fundamentele veranderingen aangebracht op het gebied van de salariëring van onderwijsgevenden. Voordien was aktenbezit en leeftijd bepalend voor inschaling in een bepaalde salarisschaal; vanaf genoemde datum is de functie waarin de betrokkene is benoemd in combinatie met (relevante) ervaring en anciënniteit het uitgangspunt bij de inschaling (artikel 1-P3 van het Rpbo).

6.2. Bij de invoering van de nieuwe salarisstructuur in het Rpbo kregen docenten die op basis van de tot 1 april 1985 geldende regels op grond van bestaande bevoegdheden uitzicht hadden op een hoger salaris dan het maximum van hun functionele salarisschaal, de garantie dat zij uitzicht behielden op het salaris dat zij 15 jaar na invoering van de HOS-nota zouden hebben ontvangen (artikel V-P1 van het Rpbo). Die zogenoemde HOS-garantieregeling gaf aan de onder die regeling vallende docenten uitloopmogelijkheden in schaal en periodiek nadat zij het maximumsalaris van de bij hun functie behorende maximumschaal hebben bereikt. Door die HOS-garantie is het dan ook mogelijk dat docenten die naar de per 1 april 1985 van kracht geworden regels een schaal 10–functie vervullen, naar schaal 11 worden beloond. Evenals de Commissie Gelijke Behandeling in haar onder 3.1. genoemde uitspraak acht de Raad het doel van de HOS-garanties - het mogelijk maken van de invoering van een salarissysteem gebaseerd op functiebeloning - legitiem.

6.3. Met ingang van 1 augustus 1996 is het Rpbo vervallen. Op grond van artikel 38a van de Wet op het voortgezet onderwijs regelt het bevoegd gezag sedertdien de rechtspositie van het personeel met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde voorschriften, met name het Kaderbesluit rechtspositie VO, Stb. 1995, 371. De arbeidsvoorwaarden zijn overigens onderwerp van overleg op decentraal niveau. Bepalingen omtrent salariëring zijn sedertdien te vinden in hoofdstuk G van de voor de school geldende CAO-VO.

6.4. De Raad overweegt dat hoofdstuk V-P van het Rpbo waarop de zogenoemde HOS-garantie die tot een verschil in bezoldiging voor gelijke arbeid kan leiden, berust, algemeen overgangsrecht bevatte voor de salariëring van het personeel dat ten tijde van de herstructurering van het salarissysteem reeds een functie in het onderwijs vervulde.

6.5. Onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraken (van 5 december 2003, LJN AO2554, gepubliceerd in USZ 2004/88 en RSV 2004/219, en van 5 september 2001, LJN AD4640, gepubliceerd in USZ 2001/ 271 en van 21 oktober 1994, LJN AL0374, gepubliceerd in RSV 1995/139) overweegt de Raad allereerst dat artikel 26 van het IVBPR, artikel 14 van het EVRM en artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awgb er niet toe strekken bescherming te bieden tegen de nadelige gevolgen van wijziging van wetgeving aan personen, zoals appellante, op wie het tot 1 augustus 1985 geldende regiem van het Rpbo niet van toepassing was, indien althans de gewijzigde wet - in casu het gewijzigde Rpbo, ten tijde in geding de toepasselijke CAO - op zichzelf geen discriminerend karakter heeft.

6.6. De Raad kan en zal in het onderhavige geval in het midden laten of de HOS-garantieregeling discriminerend uitpakt. Zo immers zou moeten worden aangenomen dat appellante dit met recht heeft gesteld, dan zou het gevolg hiervan zijn dat appellante als na-HOS-ser bij haar inschaling toepassing van de salarisregeling zou kunnen vorderen als ware zij een vóór-HOS-ser. Dat zou in concreto betekenen dat appellante bij het bereiken van het maximumsalaris van de bij haar functie behorende maximumschaal, evenals haar collega’s die vóór 1 april 1985 als leerkracht in het voortgezet onderwijs waren aangesteld en op die datum 35 jaar of ouder waren, een uitloop zou kunnen vorderen in een naasthogere salarisschaal.

6.7. Het bestreden besluit betreft evenwel uitsluitend de inschaling van appellante in de functionele schaal 10, salarisnummer 5, niet zijnde het maximumsalaris van schaal 10, in een tijdelijke aanstelling van 9 maanden in verband met een tijdelijke vacaturevoor-ziening. Bij deze inschaling waren de uitloopmogelijkheden als bedoeld in de HOS-garantieregeling nog op geen enkele wijze aan de orde. Bedoelde aanstelling is ook niet verlengd.

6.8. Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat voor gedaagde geen aanleiding bestond de beloningsregeling zoals neergelegd in artikel G5 van de CAO in het geval van appellante buiten toepassing te laten.

7. De Raad komt op grond van hetgeen onder 4.2. is overwogen tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 10, derde lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt - en daarmee tevens de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten - maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand dienen te blijven.

8. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van

€ 644,- aan kosten van rechtsbijstand en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 8 maart 2002;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door de gemeente Haarlem;

Bepaalt dat de gemeente Haarlem aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 274,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

23.05

Q