Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT6710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2005
Datum publicatie
06-06-2005
Zaaknummer
03/628 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestreden besluit wordt niet langer gehandhaafd. Betrokkene heeft geen belang meer bij de behandeling van het hoger beroep. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/628 ZW

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Wet structuur en uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is door mr. K.L. Sett, advocaat te Hilversum, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2002, nr. AWB 99/7896 ZW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 8 april 2005, waar partijen niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Bij schrijven van 23 maart 2005 heeft gedaagde medegedeeld het bestreden besluit van

7 juli 1999 niet langer te handhaven.

Gezien dit schrijven is de Raad, mede in aanmerking nemend dat appellant geen verzoek om schadevergoeding heeft gedaan, van oordeel dat appellant geen belang meer heeft bij de behandeling van het hoger beroep en dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

Gelet op hetgeen hiervoor is ovcrwogen stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 111,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2005.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.F. van Moorst.

BKH