Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT6303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2005
Datum publicatie
26-05-2005
Zaaknummer
03/3318 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van de curator over het jaar 2000. Aanvraag heeft betrekking op een periode die voor de aanvraagdatum ligt. Geen sprake van bijzondere omstandigheden voor terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2005, 284

Uitspraak

03/3318 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. J. Michels, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 mei 2003, reg.nr. 02/1086.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken aan de Raad doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 april 2005, waar voor appellante is verschenen mr. ing. B.J. den Hartog, bedrijfsjurist te Amersfoort, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F.K. Poort, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellante als eiseres is aangeduid en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende in dit geding van belang zijn de feiten en omstandigheden:

" Bij uitspaak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 8 september 1999 is eiseres onder curatele gesteld. Namens eiseres heeft de curator op 21 september 1999 een schriftelijke aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand in de kosten van eiseres voor het professionele curatorschap over het jaar 1999. Op 8 november 1999 heeft de curator verweerder verzocht de behandeling van de aanvraag aan te houden tot begin 2000, omdat de werkelijk gemaakte kosten pas eind 1999 duidelijk zijn. Bij brief van 20 januari 2000 heeft de curator verweerder een specificatie van de kosten over genoemde periode toegezonden. In deze brief heeft hij verweerder tevens doen weten dat hij de declaratie van de kosten over het jaar 2000, vergezeld van alle benodigde stukken, in het begin van 2001 zal indienen.

Bij besluit van 29 juni 2000 heeft verweerder eiseres bijzondere bijstand voor de kosten van het curatorschap over de periode van 8 september 1999 tot en met 31 december 1999 verleend ten bedrage van f 2.165,46.

Bij brief van 13 maart 2001 heeft de curator verweerder een declaratie toegezonden met de specificatie van de kosten van het curatorschap over het jaar 2000 en heeft hij verweerder verzocht eiseres ter zake van die kosten bijzondere bijstand toe te kennen ten bedrage van f 4.111,09. Desgevraagd heeft de curator verweerder bij brief van 6 juni 2001 nadere stukken doen toekomen.

Bij besluit van 19 november 2001, verzonden 30 november 2001, heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van de curator over het jaar 2000 dient te worden afgewezen, onder meer omdat de aanvraag betrekking heeft op een periode die voor de aanvraagdatum ligt. Verweerder wijst er op dat alleen bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend als sprake is van bijzondere omstandigheden en dat daarvan in het geval van eiseres niet is gebleken.".

Deze feiten en omstandigheden worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

Bij besluit van 16 april 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 19 november 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 april 2002 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft primair aangevoerd dat reeds bij brief van 20 januari 2000 een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van de curator over het jaar 2000 is ingediend zodat van verlening van bijstand met terugwerkende kracht geen sprake is. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat in haar geval bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) stellen burge-meester en wethouders het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van deze bepaling wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaar-digen.

De Raad stelt voorop dat de curator eerst bij brief van 13 maart 2001 een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van de curator over het jaar 2000 heeft ingediend. De opmerking van de curator in de brief van 20 januari 2000 dat hij in het begin van het jaar 2001 de declaratie over het jaar 2000 zal indienen, merkt de Raad, anders dan appellante, niet als een zodanige aanvraag aan. De betreffende opmerking behelst immers geen ondubbelzinnig verzoek om een besluit te nemen inzake bijzondere bijstand in de kosten van de curator over het jaar 2000.

De Raad is voorts anders dan appellante van oordeel dat niet gebleken is van omstandig-heden die rechtvaardigen dat bijstand wordt verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend.

De brief van 20 januari 2000 kan niet als een zodanige omstandigheid worden aangemerkt. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat die brief gedaagde geen aanlei-ding had hoeven geven met de curator contact op te nemen om te vragen of appellante voor bijzondere bijstand in de kosten van de curator over het jaar 2000 in aanmerking wenste te komen. De curator, die blijkens de gedingstukken behalve voor appellante ook voor vele anderen tot curator is benoemd, had immers de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van een curator over 1999 ingediend aan het begin van de periode waarop die aanvraag betrekking had, zodat gedaagde ervan mocht uitgaan dat de curator bekend was met de regels inzake het aanvragen van bijstand.

De omstandigheid dat de kantonrechter eerst op 27 augustus 2004 een machtiging heeft afgegeven voor kosten van beloning voor de uitvoering van het curatorschap over het jaar 2000 tot een bedrag van € 1.759,37 kan evenmin leiden tot bijstandsverlening in die kosten, aangezien de betreffende activiteiten als curator zijn verricht voor de datum van indiening van de aanvraag.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Hetgeen door appellante overigens nog is aangevoerd maakt dat niet anders.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. C. van Viegen als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2005.

(get.) C. van Viegen.

(get.) S.W.H. Peeters.

EK2104