Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT5884

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2005
Datum publicatie
20-05-2005
Zaaknummer
04/4582 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking van de aan oorlogsgetroffene toegekende voorziening ter zake van extra huishoudelijke hulp omdat hij is gaan verblijven in een verpleegtehuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/4582 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 29 juli 2004, kenmerk JZ/R60/2004/0502, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlage) heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 14 maart 2005 heeft verweerster de Raad nog enige stukken doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 maart 2005. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren in 1916, vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Hij heeft in april 1999 zijn intrek genomen in het verzorgingshuis [naam verzorgingshuis] te [naam gemeente]. Vervolgens heeft verweerster bij besluit 23 januari 2001 eiser met ingang van 1 juli 2000 in aanmerking gebracht voor een vergoeding voor extra huishoudelijke hulp van maximaal twee uren per week, naast de door het verzorgingshuis verstrekte hulp.

In juni 2003 is eiser als gevolg van een heupfractuur opgenomen geweest in het ziekenhuis. Na een ondergane operatie en aansluitend een periode van revalidatie in het ziekenhuis, is eiser in oktober 2003 overgeplaatst naar een verpleeghuis. In verband hiermee heeft verweerster bij besluit van 27 mei 2004 - voor zover hier van belang - de aan eiser toegekende voorziening ter zake van extra huishoudelijke hulp per 1 juni 2004 ingetrokken. Die intrekking heeft verweerster, na bezwaar tegen voornoemd besluit, bij het thans bestreden besluit gehandhaafd op de grond dat de voorziening van huishoudelijke hulp behoort tot het verzorgingspakket van het verpleeghuis.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Bij de beoordeling van een aanvraag om een voorziening terzake van extra huis-houdelijke hulp hanteert verweerster een aantal richtlijnen. Deze richtlijnen houden onder meer in dat bij opname in een verpleeghuis de vergoeding van (extra) huishoudelijke hulp wordt ingetrokken. Hieraan ten grondslag ligt de omstandigheid dat de vanwege het verpleeghuis geboden hulp alles omvattend is.

De Raad heeft reeds meermalen geoordeeld dat het hanteren van bedoelde richtlijnen niet in strijd komt met het bepaalde in artikel 20 van de Wet.

Aangezien eiser ook volgens zijn eigen opgave ten tijde hier van belang verbleef in een verpleeghuis komt hij ingevolge de richtlijnen van verweerster niet in aanmerking voor de voorziening terzake van extra huishoudelijke hulp. Dat in het geval van eiser sprake is van omstandigheden die een uitzondering op die richtlijnen rechtvaardigen, is de Raad niet kunnen blijken.

Het namens eiser naar voren gebrachte argument dat het schoonmaken van de kamer in de praktijk nogal eens te wensen overlaat, kan niet afdoen aan het gegeven dat het schoonmaken wel tot het verzorgingspakket behoort.

De eventuele omstandigheid dat dit pakket, om welke reden dan ook, niet (geheel) naar behoren wordt uitgevoerd, is niet een omstandigheid die voor rekening van verweerster kan worden gebracht.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat en dat derhalve het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2005.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.