Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT5874

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2005
Datum publicatie
20-05-2005
Zaaknummer
04/4859 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat geen gronden waren aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/4859 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 27 juli 2004, kenmerk JZ/C90/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen.

Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift, zoals aangevuld bij schrijven van

1 november 2004 (met bijlagen), heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 maart 2005. Daar is eiser in persoon verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiser door verweerster bij besluit van 3 maart 2004 erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet) en is aan hem per 1 oktober 2003 de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet toegekend. Bij een besluit van eveneens 3 maart 2004 is eiser per 1 december 2003 in aanmerking gebracht voor een vergoeding terzake van extra huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer.

Ter uitvoering van voornoemde besluiten heeft verweerster bij berekeningsbeslissing van 30 april 2004 de aan eiser toekomende toeslag en voorzieningen definitief vastgesteld over het jaar 2003 en voorlopig berekend over de periode

1 januari 2004 tot 1 april 2004.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiser bij schrijven van 24 mei 2004 bezwaar gemaakt. Overeenkomstig het door eiser in het bezwaarschrift gedane verzoek heeft verweerster eiser in de gelegenheid gesteld de gronden van het bezwaar binnen een bepaalde termijn in te dienen. Bij aangetekend schrijven van 2 juli 2004 heeft verweerster eiser nogmaals de gelegenheid gegeven de gronden van het bezwaar in te dienen, onder vermelding dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen twee weken na verzending van dat schrijven is hersteld. Eiser heeft van de hem geboden mogelijkheden geen gebruik gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster vervolgens het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat, wegens het ontbreken van een motivering van het bezwaar, niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad overweegt als volgt.

In artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat het bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar bevat.

In artikel 6:6 van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Vaststaat dat het bezwaarschrift niet de gronden bevat waarop het bezwaar berust en dat die gronden niet nader bij verweerster zijn ingediend.

In beroep heeft eiser geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs moet worden geoordeeld dat verweerster niet van de haar in artikel 6:6 van de Awb gegeven bevoegdheid om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren gebruik had mogen maken.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2005.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.