Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT5846

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2005
Datum publicatie
19-05-2005
Zaaknummer
03/1631 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstandsuitkering. Nieuwe aanvraag na beëindiging van bijstandsuitkering. Aantonen dat sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden waarmee wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/1631 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 februari 2003, reg.nr. 01/1033 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met de gedingen met reg.nrs. 03/1307 NABW en 03/1591 NABW, behandeld ter zitting van 22 maart 2005. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Ham en gedaagde door mr. J.F.M. Peusen en

N.K.F. Tempelman, beiden werkzaam bij de gemeente Ede.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

II. MOTIVERING

De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving tot 1 oktober 2000 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 26 februari 2000, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 februari 2001, heeft gedaagde de uitkering met ingang van 1 oktober 2000 beëindigd omdat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met haar voormalige echtgenoot [naam echtgenoot]. In zijn uitspraak van heden in het geding met reg.nrs. 03/1307 NABW en 03/1591 NABW heeft de Raad geoordeeld dat gedaagde daartoe terecht is overgegaan.

Op 20 november 2000 heeft appellante opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd.

Bij besluit van 22 december 2000, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 mei 2001, heeft gedaagde de aanvraag afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 mei 2001 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt naar aanleiding daarvan tot de volgende beoordeling.

Indien een belanghebbende na beëindiging van zijn bijstandsuitkering een nieuwe aanvraag om bijstand indient, ligt het volgens vaste rechtspraak van de Raad op diens weg om aan te tonen dat sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat appellante geenszins heeft aangetoond dat de omstandigheden na de beëindiging van haar uitkering in relevante mate zijn gewijzigd en met name niet heeft aangetoond dat haar voormalige echtgenoot op 20 november 2000 (de datum van de aanvraag) niet langer zijn hoofdverblijf had in haar woning. Appellante heeft ter toelichting op de aanvraag aangegeven dat haar voormalige echtgenoot gemiddeld op twee dagen per week bij haar verblijft en dan ook regelmatig bij haar blijft overnachten. Hij zou niet op vaste dagen bij haar komen. Volgens appellante en haar zoon, die appellante bij haar bezoek aan de afdeling Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Ede vergezelde, was dit sinds de zomer van 2000 het geval en was de situatie sinds 1 oktober 2000 niet veranderd. Tijdens de hoorzitting in bezwaar hebben enkele familieleden en de voormalige echtgenoot van appellante verklaard dat de voormalige echtgenoot al jaren op een ander adres in [woonplaats] woont en niet bij appellante. Deze - enkele - verklaringen zijn, daargelaten de geloofwaardigheid ervan, niet toereikend voor de vaststelling dat de gezamenlijke huishouding op 20 november 2000 niet langer bestond.

Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Nu de ongegrondverklaring van het beroep door de rechtbank in stand blijft, dient het verzoek van appellante om gedaagde te veroordelen tot schadevergoeding te worden afgewezen.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. ’t Hooft en mr. W.I. Degeling als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2005.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.