Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT5634

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
03/5789 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling draagkracht. Gecorrigeerd verzamelinkomen. Uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5789 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 6 maart 2003 heeft gedaagde appellantes bezwaar tegen het besluit van 6 januari 2003, houdende vaststelling van haar draagkracht over 2003, ongegrond verklaard.

De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van 15 oktober 2003, kenmerk 03/352 WSFBSF, het beroep van appellante tegen het besluit van 6 maart 2003 ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld op bij beroepschrift van

24 november 2003 aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 9 februari 2004 ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 maart 2005, waar appellante niet is verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.

II. MOTIVERING

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit van 6 maart 2003, waarbij gedaagde het bezwaar tegen de vaststelling van de draagkracht van appellante over 2003 op € 19,11 per maand, ongegrond heeft verklaard, in rechte stand kan houden.

De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. Zij heeft hiertoe overwogen dat ingevolge artikel 6.11 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) de draagkracht van appellante over het jaar 2003 terecht is vastgesteld aan de hand van het gecorrigeerde verzamelinkomen van appellante over het jaar 2001, zoals verstrekt door de belastingdienst en welke inkomensgegevens door appellante ook niet zijn betwist.

Appellantes stelling dat voor een reële berekening van haar draagkracht de ontvangen uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars, welke onderdeel uitmaakt van appellantes verzamelinkomen over 2001, dient te worden gedeeld door het aantal van haar huishouding deel uitmakende personen (drie) in wier levensonderhoud door deze uitkering wordt voorzien, is door de rechtbank verworpen. Daartoe is door de rechtbank overwogen dat voor deze opvatting geen steun kan worden gevonden in de wet, nu in de op de vaststelling van de draagkracht betrekking hebbende wetsbepalingen geen ruimte is gelaten om bij bedoelde vaststelling op enigerlei wijze rekening te houden met het aantal personen dat voor hun bestaan van het gecorrigeerde verzamelinkomen afhankelijk is.

Aan de rechtbank is evenmin gebleken van onjuistheden in de berekening door gedaagde met betrekking tot het maandbedrag van de draagkracht van appellante over 2003. Daarop is het beroep door de rechtbank ongegrond verklaard.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad overweegt allereerst dat op het door appellante ingestelde beroep door de rechtbank Assen is beslist terwijl de rechtbank Groningen daartoe ingevolge artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd was. De Raad ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 28 van de Beroepswet bedoelde onbevoegdheid voor gedekt te verklaren en de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aan te merken.

Vervolgens ingaande op de inhoudelijke kant van de zaak, beantwoordt de Raad de bovengenoemde rechtsvraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich daarbij achter de hierboven weergegeven overwegingen van de rechtbank.

In hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd - in essentie een herhaling van hetgeen bij de rechtbank naar voren is gebracht en door de rechtbank op goede gronden is verworpen - heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak in stand dient te blijven.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005.

(get.) J. Jansen.

(get.) J.E. Meijer.