Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT5557

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
04/3849 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering om betrokkene met de vervolgde gelijk te stellen berust op goede gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/3849 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 25 mei 2004, kenmerk JZ/C60/2004/0341, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift, aangevuld bij brief van 21 augustus 2004, heeft eiser uiteengezet waarom hij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 maart 2005. Daar is eiser niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiser, geboren op 10 mei 1934 in het voormalige Nederlands-Indië, in februari 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde voor een periodieke uitkering en een voorziening voor huishoudelijk hulp in aanmerking te komen. In dit verband heeft eiser gesteld dat hij, nadat zijn vader door de Japanse bezetter als gevangene was weggevoerd, onder kommervolle omstandigheden met het resterende gezin de oorlogsjaren heeft doorgebracht.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 19 februari 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet vastgesteld is kunnen worden dat eiser vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan, terwijl de omstandigheden waaronder eiser de oorlogsjaren heeft doorgebracht ook niet met vervolging vergelijkbaar zijn, zodat geen aanleiding bestaat om eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen daartegen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 2 van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.

Op grond van de gedingstukken staat vast dat eiser tijdens de Japanse bezetting geen vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Ten aanzien van verweersters weigering om eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd de persoon die vervolging heeft ondergaan, maar niet voldoet aan de vereisten als bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van de Wet, dan wel de persoon die voldoet aan de vereisten van evenvermeld eerste lid en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijk stellen indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Hierbij geldt dat gelijkstelling niet kan plaatsvinden indien zowel aan artikel 2 als aan artikel 3, eerste lid, van de Wet niet is voldaan.

Nu niet is gebleken dat eiser vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan en voorts vaststaat dat hij niet voldoet aan de nationaliteits- en territorialiteits-vereisten zoals gesteld in artikel 3, eerste lid, van de Wet, is de Raad van oordeel dat de weigering van verweerster om eiser met de vervolgde gelijk te stellen op goede gronden berust.

Wat betreft de door eiser aangevoerde grond dat hij aanspraken zou kunnen ontlenen aan de informatie die te vinden is in de brochure over de Wet overweegt de Raad nog het volgende. De informatie die verweerster in haar brochures verstrekt betreft uitsluitend algemene informatie over de uitvoering van de Wet. Deze informatieverstrekking laat onverlet dat verweerster aan de hand van concrete omstandigheden zal dienen te beoordelen of de Wet in een voorliggend geval van toepassing is. Daarom kan eiser louter op basis van die algemene informatie geen aanspraken ontlenen op toepassing van de Wet.

Ten aanzien van het verzoek tot uitbetaling van achterstallig soldij van voormalige KNIL-militairen merkt de Raad op dat verweerster zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een dergelijke uitbetaling buiten het bereik van de Wet valt.

Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden. Het beroep van eiser dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E. Heemsbergen.