Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT5552

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
03/2467 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering wachtgeld. Inkomsten uit eigen bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/2467 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 april 2003, nr. AWB 02/1765 AW Z GIF, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 april 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kuiper, advocaat te Maastricht. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Langguth, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

1.1. Aan appellant is met ingang van 1 augustus 1992 ontslag verleend uit zijn functie bij het toenmalige Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Aansluitend is hem tot 24 april 1999 wachtgeld toegekend op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb). Appellant heeft in april 1995 [naam BV] opgericht, waarvan hij directeur en enig aandeelhouder is.

1.2. Bij besluit van 6 april 2001 heeft gedaagde appellant, onder verwijzing naar artikel 8, eerste lid, van het Rwb, meegedeeld dat over de jaren 1997, 1998 en 1999 met een te laag bedrag aan inkomsten uit of in verband met eigen bedrijf rekening is gehouden, waardoor hem over die jaren een te hoog bedrag aan wachtgeld is betaald. Bij dit besluit heeft gedaagde over 1997 f 61.594,82, over 1998 f 44.480,34 en over 1999 f 26.918,82, derhalve f 132.993,98 (€ 60.350,04) in totaal van appellant teruggevorderd. Bij het bestreden besluit van 9 oktober 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 6 april 2001 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 9 oktober 2002 ongegrond verklaard.

3. Namens appellant is in hoger beroep onder meer aangevoerd dat gedaagde bij de verrekening van het wachtgeld in het jaar 1998 een onjuist bedrag aan door hem genoten salaris in aanmerking heeft genomen. Appellant heeft namelijk in 2001 abusievelijk aan gedaagde opgegeven dat het directeurssalaris in 1998 f 84.000,- bedroeg, terwijl volgens de definitieve vaststelling door de Belastingdienst het directeurssalaris in 1998 f 50.775,- bedroeg. Volgens appellant had gedaagde bij de verrekening met het wachtgeld van laatstgenoemd bedrag moeten uitgaan. Voorts meent appellant dat gedaagde ten onrechte bij de verrekening van het wachtgeld geen rekening heeft gehouden met het over het jaar 1998 geleden verlies door [naam BV] Ten slotte heeft appellant nog enkele grieven geuit tegen het bestreden besluit voorzover daarbij het wachtgeld over de jaren 1997 en 1999 van hem is teruggevorderd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat appellant ter zitting van de rechtbank heeft aangegeven dat uitsluitend nog in geschil is de terugvordering van het wachtgeld over het jaar 1998. Ook het geding in hoger beroep is derhalve hiertoe beperkt. De Raad komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke bespreking van appellants in hoger beroep geuite grieven tegen de terugvordering van het wachtgeld over de jaren 1997 en 1999.

4.2. Volgens artikel 8, eerste lid, van het Rwb worden de inkomsten die een belanghebbende geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag, ter zake waarvan het wachtgeld is toegekend, hem is aangezegd of door hem is aangevraagd, verrekend met het wachtgeld over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.

4.3. Gedaagde heeft bij de verrekening van het wachtgeld over het jaar 1998 in aanmerking genomen dat appellant in dat jaar f 84.000,- aan salarisinkomsten ontving voor de werkzaamheden die hij voor [naam BV] verrichtte. Met het door die onderneming in dat jaar geleden verlies van f 41.541,- heeft gedaagde bij de verrekening geen rekening gehouden.

4.4. Naar het oordeel van de Raad is gedaagde bij deze verrekening niet van onjuiste gegevens uitgegaan.

4.4.1. Appellant heeft desgevraagd bij brief van 20 februari 2001 gedaagde meegedeeld dat in 1998 zijn salarisinkomsten uit [naam BV] f 84.000,- bedroegen. Ditzelfde bedrag aan salarisinkomsten in 1998 heeft appellant nogmaals genoemd in zijn bezwaarschrift van 20 april 2001.

4.4.2. Dat appellant zich bij het doen van deze opgaven in de hoogte van het bedrag heeft vergist acht de Raad niet aannemelijk. Uit de toelichting op de winst- en verliesrekening van 1998 van [naam BV] blijkt dat appellant naast zijn door de Belastingdienst genoemde salaris van f 50.755,- , ook nog f 33.225,- aan tantièmes heeft genoten. In totaal heeft appellant derhalve het steeds genoemde bedrag van f 84.000,- aan inkomsten uit arbeid in zijn onderneming genoten. Gedaagde heeft dan ook naar het oordeel van de Raad terecht laatstgenoemd bedrag bij de verrekening van het wachtgeld over 1998 in aanmerking genomen.

4.5. Voorts is de Raad van oordeel dat gedaagde bij die verrekening terecht het door [naam BV] in 1998 geleden verlies niet in aanmerking heeft genomen.

4.5.1. Artikel 8 van het Rwb schrijft anticumulatie voor, voorzover het (bruto) wachtgeld over een maand, vermeerderd met de (bruto) inkomsten over die maand het (bruto) bedrag van de laatstgenoten bezoldiging overschrijdt. Dit wijst erop dat negatieve inkomsten in het algemeen niet leiden tot verrekening met het wachtgeld. Voor een rekening houden met verlies uit onderneming is te minder aanleiding indien sprake is van het in de boekhouding opvoeren van bepaalde posten - onder meer een dotatie aan de pensioenvoorziening die uitging boven het salaris - zodanig dat uiteindelijk van een positief bedrijfsresultaat geen sprake meer is.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.