Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT5541

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2005
Datum publicatie
18-05-2005
Zaaknummer
04/4139 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering erkenning als vervolgingsslachtoffer onder andere op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

E N K EL V O U D I G E K AM E R

04/4139 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 25 mei 2004, nr. JZ/C60/2004/0338, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift en aanvullend beroepschrift heeft eiseres uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 31 maart 2005. Daar is eiseres niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiseres in juni 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet als weduwe van de heer [naam betrokkene] (hierna: betrokkene) die op 4 april 1996 is overleden. In dit verband heeft eiseres gesteld dat betrokkene als militair van het voormalige Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (hierna: het KNIL) tijdens de Japanse bezettingsperiode krijgsgevangenschap heeft ondergaan.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 19 februari 2004, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, in de eerste plaats op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en voorts op de grond dat geen aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Blijkens artikel 2 van de Wet - samengevat en voorzover hier van belang - wordt onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.

Buiten de eigen in 1980 door betrokkene opgestelde verklaring zijn er geen gegevens die het relaas van eiseres bevestigen. Hierbij acht de Raad van belang dat bij het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis en in de archieven van het voormalige Bureau Overzeese Pensioenen omtrent betrokkene geen gegevens zijn aangetroffen. De Raad weegt voorts mee dat raadpleging in de andere archieven die verweerster ter beschikking staan, waaronder KNIL-archieven, evenmin gegevens over betrokkene heeft opgeleverd.

Tegen deze achtergrond heeft verweerster naar het oordeel van de Raad op goede gronden de aanvraag van eiseres op grond van artikel 2 van de Wet afgewezen, aangezien op grond van objectieve gegevens niet voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Nu betrokkene niet voldeed aan de ingevolge artikel 3 van de Wet geldende vereisten ten aanzien van nationaliteit en woonplaats moet voorts worden vastgesteld dat verweerster evenmin bevoegd was toepassing te geven aan artikel 3, tweede lid, van de Wet.

De Raad merkt tenslotte nog op dat verweerster zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uitbetaling van achterstallige soldij niet onder het bereik van de Wet valt.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiseres niet slaagt.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E. Heemsbergen.