Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT5516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
17-05-2005
Zaaknummer
02/5365 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag ambtenaar. Verstoorde verhoudingen. Hoogte toegekende vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/5365 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2002, nr. AWB 00/5037 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nog nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 april 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door prof. mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A. de Jong, eveneens advocaat te Amsterdam.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was werkzaam bij de hoofdafdeling P&O van de gemeente Amsterdam, aanvankelijk als hoofd [afdeling] ([afdeling]) en sedert 1995 na het vertrek van de directeur, als hoofd van de tijdelijke afdeling [afdeling 2], waarvan deel uitmaakten het [afdeling], [afdeling 3] en de sectie [sectie]. Na de benoeming van een nieuwe directeur van de hoofdafdeling P&O in 1996 zijn samenwerkingsproblemen ontstaan tussen deze directeur en appellante. Op 2 juni 1997 heeft appellante zich ziek gemeld, waarna zij niet meer is teruggekeerd op het werk. Nadat geen overeenstemming kon worden bereikt over een vertrekregeling heeft gedaagde appellante bij besluit van 18 juni 1999 per 25 september 1999 ontslag verleend op grond van artikel 1122, aanhef en onder d, van het Ambtenarenreglement Amsterdam wegens onverenigbaarheid van karakters. Daarbij is bepaald dat appellante ter zake van dat ontslag een aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Wachtgeld-verordening. Na bezwaar is dit ontslag gehandhaafd bij besluit van 6 oktober 2000, waarbij is bepaald dat aan appellante naast haar wachtgeldaanspraken een vergoeding toekomt van ƒ 20.000,- bruto.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen in overwegende mate aan gedaagde zijn te wijten en zij heeft het bestreden besluit vernietigd “voorzover daarin onvoldoende financiële compensatie is geboden voor het ontslag”. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat als aanvulling op de reeds toegekende compensatie een bedrag wordt toegekend van € 47.925,- bruto en dat die uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft de rechtbank afgewezen.

3.1. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Zij is van opvatting dat de door de rechtbank toegekende vergoeding te laag is en dat haar nadeel volledig gecompenseerd dient te worden. Zij wenst een aanvulling op het wachtgeld dat zij tot haar 65e jaar ontvangt tot 100% van haar laatstgenoten bezoldiging, een vergoeding voor volledige pensioenopbouw tijdens de wachtgeldperiode en smartengeld wegens een gebroken carrière. Appellante meent dat daarvoor grond bestaat nu de verstoorde verhoudingen niet slechts overwegend aan gedaagde zijn te wijten maar volledig, aangezien haar geen enkele blaam treft.

3.2. Naar aanleiding van in het verweerschrift naar vorengebrachte grieven tegen de door appellante aangevallen uitspraak heeft gedaagde de Raad laten weten dat niet is beoogd zijnerzijds hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank. Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde de stelling betrokken dat als gevolg van het door appellante ingestelde beroep de vraag naar de rechtmatigheid van het ontslag, en daarmee naar de hoogte van de compensatie weer volledig open ligt. Gedaagde heeft daarbij verwezen naar jurisprudentie van de Raad met betrekking tot verwevenheid van onderdelen van een besluit, zoals deze bijvoorbeeld wordt gehanteerd bij de beoordeling van een disciplinair ontslag. Gedaagde acht de door de rechtbank toegekende vergoeding misplaatst en wenst vast te houden aan de bij het bestreden besluit toegekende vergoeding van ƒ 20.000,-. Subsidiair heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat de door de rechtbank vastgestelde compensatie niet te laag is.

4. De Raad deelt de primaire ter zitting betrokken stelling van gedaagde niet. Door geen hoger beroep in te stellen tegen een uitspraak waarbij zijn besluit - gedeeltelijk - is vernietigd en door de rechtbank uitdrukkelijk een aanvullende financiële compensatie aan appellante is toegekend, in plaats van de in het bestreden besluit genoemde, moet gedaagde geacht worden in deze uitspraak te hebben berust. De omstandigheid dat appellante de uitspraak heeft aangevochten voorzover de daarin toegekende compensatie door haar onvoldoende wordt gevonden, brengt een beperking met zich voor de omvang van het geding zoals dat aan de Raad is voorgelegd. Daarbij kan, gelet op de door appellante aangevoerde grieven, uitsluitend aan de orde zijn de vraag of de rechtbank zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat met de toekenning van die door de rechtbank vastgestelde compensatie recht is gedaan aan het aandeel van elk der partijen en het ontslag aldus de redelijkheidstoets kan doorstaan. Die situatie moet worden onderscheiden van die, waarbij de Raad in zijn jurisprudentie met betrekking tot strafontslag, ter beantwoording van de vraag of zo’n ontslag niet onevenredig is aan het verweten plichtsverzuim, in verband met de verwevenheid ook onderzoek doet naar het feitencomplex dat ten grondslag is gelegd aan dat vastgestelde plichtsverzuim. De Raad zal dus op de zelfstandige grieven van gedaagde tegen de aangevallen uitspraak niet

ingaan.

5.1. Tussen partijen staat vast dat ten tijde van het ontslag sprake was van verstoorde verhoudingen tussen appellante en haar werkgever. Aan de orde is allereerst de vraag, zoals hiervoor in 4. reeds aangegeven, of die omstandigheid in overwegende mate of volledig aan gedaagde was te wijten.

5.2. Tot de vaststelling dat dit laatste het geval was, komt de Raad niet. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank over het aandeel van partijen, en verwijst naar de overwegingen die de rechtbank daaraan heeft gewijd. Hij voegt daaraan nog het volgende toe. De gedingstukken wijzen ook naar het oordeel van de Raad uit dat appellante na de benoeming van een nieuwe directeur van de hoofdafdeling P&O in een moeilijke situatie is komen te verkeren. Enerzijds was haar blijkens de notitie van de gemeentesecretaris van 28 maart 1996 en de brief van de directeur aan alle medewerkers van 29 maart 1996 toegezegd dat de benoeming van een nieuwe directeur geen gevolgen zou hebben voor haar positie als hoofd [afdeling 2] en dat die directeur uitsluitend de formele eindverantwoordelijkheid zou dragen voor alle onder de hoofdafdeling vallende taken en werkzaamheden, anderzijds werden door die directeur weldra organisatorische maat-regelen voorgesteld en genomen die deze positie direct betroffen. De gemeentesecretaris stelde zich daarbij - de intrekking van de toeslag uitgezonderd - formeel achter de directeur op. De positie van appellante werd daardoor tot op zekere hoogte van betekenis ontdaan en de Raad acht het begrijpelijk dat daarover bij appellante aanmerkelijke onvrede bestond. De Raad heeft uit de gedingstukken voorts afgeleid dat de pogingen om met appellante tot een vergelijk te komen niet blijk geven van een daadwerkelijke inzet van de zijde van gedaagde. Nadat appellante op een voorstel van gedaagde voor een vertrekregeling reageerde met een tegenvoorstel zijn de onderhandelingen door gedaagde abrupt afgebroken met de constatering dat de standpunten te ver uiteen lagen. De Raad ziet niet in waarom van de zijde van gedaagde niet meer inspanningen konden worden verricht om appellante tegemoet te komen. Ook is niet echt duidelijk geworden waarom de werkzaamheden als hoofd van de afdeling SPIT niet aan appellante konden worden opgedragen.

5.3. De Raad is echter van oordeel dat ook appellante, zij het in veel mindere mate, heeft bijgedragen aan het ontstaan en voortbestaan van de situatie. De Raad wijst daarbij in de eerste plaats op de brief van appellante van 29 april 1997, waarvan appellante heeft kunnen en moeten begrijpen dat de - ongepaste - toonzetting de toch al broze relatie met haar directeur verder onder druk zou zetten. Appellante heeft voorts meer dan eens te kennen gegeven niet meer te willen samenwerken met de directeur; ook die houding heeft bijgedragen aan het voortbestaan van de verstoorde verhouding. Tot slot heeft appellante niet willen meewerken aan het zoeken naar een andere functie in schaal 13 maar maakte zij aanspraak op een functie in schaal 15. Appellante werd als hoofd naar functieschaal 13 bezoldigd, zij het dat zij een toeslag ontving tot het salarisniveau van schaal 15. Die toeslag was echter tijdelijk.

5.4. Dit een en ander afwegende komt de Raad tot de slotsom dat appellante met de door de rechtbank toegekende financiële compensatie bij het ontslag niet te kort is gedaan. De Raad gaat er daarbij - anders dan de rechtbank - van uit dat die compensatie ook strekt tot tegemoetkoming in de gemiste (gehalveerde) pensioenopbouw in de wachtgeldperiode en voor het ongenoegen dat appellante heeft ondervonden als gevolg van een afgebroken carrière. Bij deze afweging heeft de Raad ook acht geslagen op het feit dat appellante na haar herstel in december 1997 tot de ontslagdatum geen werkzaamheden voor gedaagde heeft verricht maar wel volledig salaris, inclusief de toeslag, heeft ontvangen. Appellante ontvangt voorts vanaf de ontslagdatum tot zij in 2009 de 65 jarige leeftijd bereikt wachtgeld ter hoogte van 70% van haar laatstgenoten bezoldiging inclusief de toelage ter hoogte van schaal 15.

Nu het ontslagbesluit mèt deze compensatie de toets der kritiek kan doorstaan en als rechtmatig valt aan te merken bestaat geen aanleiding voor schadevergoeding als door appellante bepleit. Van een situatie als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 15 februari 2001, LJN ZB9151, TAR 2001, 45, waarbij het gegeven ongeschiktheidsontslag werd vernietigd en in verband met het door partijen gewenste in stand laten van de rechtsgevolgen door de Raad werd voorzien in een schadevergoeding, is geen sprake.

5.5. Gelet hierop komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

25.04

Q