Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT5033

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
09-05-2005
Zaaknummer
03/4355 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij bestreden besluit is vastgesteld dat betrokkene vervolging heeft ondergaan in de zin van de WUV. Staan betrokkene's psychische klachten in causaal verband met die vervolging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4355 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 31 juli 2003, kenmerk JZ/R70/2003/0534, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingezonden.

Vervolgens heeft de gemachtigde van eiseres de Raad bij brief van 19 oktober 2004 een contra-expertise van

prof. dr. B.N.J. Schreuder en drs. A. van der Meij, verbonden aan het Universitair Medisch Centrum St. Radboud te Nijmegen, d.d. 13 oktober 2004 doen toekomen. Verweerster heeft daarop bij schrijven van 12 januari 2005 nog een reactie van haar geneeskundig adviseur, de arts P. Windels ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 maart 2005, waar voor eiseres is verschenen mr. Van Berkel voornoemd en waar verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, die [in] 1942 te Wageningen is geboren, heeft in juli 2001 bij verweerster een aanvraag ingediend om krachtens de Wet erkend te worden als vervolgde en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en enkele voorzieningen. In dit verband heeft eiseres gesteld dat zij psychische klachten, rug-, knie-, en longklachten heeft die in verband staan met de vervolging.

Verweerster heeft bij besluit van 11 juli 2002 vastgesteld dat eiseres vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet, maar dat er in het geval van eiseres geen sprake is van ziekten of gebreken die voortvloeien uit de vervolging, weshalve geen periodieke uitkering en voorzieningen kunnen worden toegekend. In bezwaar heeft eiseres naar voren gebracht dat bij het medisch onderzoek onvoldoende is onderzocht wat de aard van haar nerveuze klachten is en dat te zeer de nadruk werd gelegd op de algemene problematiek rond haar afkomst en niet op de aspecten die zijn veroorzaakt door de vervolging. Het medisch onderzoek zou onvoldoende geweest zijn en een nader psychiatrisch onderzoek zou gewenst zijn.

Overeenkomstig de zienswijze van mr. C.M.M. Vleugels, psychiater-psychotherapeut te Montfort, die eiseres op verzoek van verweerster heeft onderzocht, en het naar aanleiding daarvan uitgebrachte advies van haar geneeskundig adviseur, heeft verweerster haar bij het besluit van 11 juli 2002 ingenomen standpunt gehandhaafd en het tegen dit besluit gemaakt bezwaar bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

In beroep is, voorzover hier van belang, naar voren gebracht dat het geneeskundig onderzoek naar de psychische klachten van eiseres ondeugdelijk is geweest. Gemachtigde heeft de in rubriek I vermelde contra-expertise van

prof. dr. B.N.J. Schreuder ingezonden.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiseres naar voren is gebracht, in rechte kan standhouden. Deze vraag beantwoordt de Raad op de navolgende gronden ontkennend.

Uit het aan verweersters besluit ten grondslag liggende rapport van de psychiater mr. C.M.M. Vleugels d.d. 9 juli 2003 blijkt dat deze psychiater het bij eiseres geconstateerde psychobeeld niet toeschrijft aan doorwerking van de oorlogservaringen van eiseres en haar ouders maar van mening is dat vooral de acculturatie (zigeuner- resp. woonwagen-bewonerafkomst) met discriminatie, de positie van eiseres in het gezin, de agressieve ontladingen van vader en mogelijk erfelijke factoren een rol hebben gespeeld in de persoonlijkheidsontwikkeling van eiseres. Een causale psychopathologie kan naar het oordeel van deze psychiater geenszins worden bevestigd en er is geen sprake van invaliditeit.

Prof. dr. B.N.J. Schreuder en drs. A. van der Meij voornoemd komen in hun rapport, waarop gemachtigde van eiseres zich met name beroept, tot de conclusie dat bij eiseres sprake is van een posttraumatische stressstoornis, paniekaanvallen, agorafobie en verhoogde angstdispositie op grond van oorlogstraumata en het gedurende en na de oorlog in angst levende gezin. De diagnose volgens de DSM-classificatie is een PTSS beginnend op kinderleeftijd, nog altijd aanwezig echter sterker aanwezig in periodes die doen herinneren aan trauma of in andere periodes van belangrijke levensgebeurtenissen zoals overlijden van dierbare personen, echtscheiding. Er zijn matige beperkingen tijdens de dagelijkse activiteiten, eiseres durft de straat niet alleen op en raakt daarvan soms in paniek; ook zijn er slaapproblemen. Er zijn aanzienlijke problemen in het sociaal functioneren. Er zijn matige concentratiestoornissen, er zijn ernstige beperkingen in de adaptatie aan stressvolle omstandigheden.

De Raad stelt vast dat het beeld dat door prof. Schreuder wordt geschetst van de bij eiseres aangetroffen psychische klachten in grote lijnen overeenstemt met het ook door psychiater Vleugels waargenomen beeld, doch dat de duiding van dit psychobeeld bij beiden wezenlijk verschilt.

De Raad acht door prof. Schreuder goed onderbouwd dat de vervolging van eiseres wel degelijk invloed heeft gehad op de psychopathologie bij eiseres.

Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat aan de rapportage van prof. Schreuder meer betekenis moet worden toegekend.

Het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerster dat bij eiseres geen sprake is van met de vervolging in verband staande psychische klachten, acht de Raad onjuist.

Het besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.

In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding verweerster op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten van eiseres, welke worden begroot op € 805,-- als kosten van verleende rechtsbijstand. Tevens komen naar het oordeel van de Raad voor vergoeding in aanmerking de kosten door eiseres gemaakt voor de door haar in beroep ingebrachte psychiatrische expertise. De gemachtigde van eiseres heeft in dit verband een rekening overgelegd van psychiater dr. B.N.J. Schreuder ten bedrage van € 750,-- .

Een en ander leidt tot de conclusie dat moet worden beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit:

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiseres, groot € 1555,- , te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan de griffier van de Raad;

Gelast de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiseres het griffierecht van € 27,- te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.