Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT5029

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
09-05-2005
Zaaknummer
03/6565 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan WUV-gerechtigde is vergoeding toegekend voor opname in verzorgingshuis. Weigering verplichte fondsdonatie, aangezien deze niet wordt aangewend voor basisverzorging en -verpleging van de bewoners van het verzorgingshuis.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/6565 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats] (Israël), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 16 september 2003, kenmerk JZ/U80/2003, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Eiser heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift heeft eiser de gronden aangevoerd, waarop zijn beroep steunt.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 maart 2005. Aldaar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren [in] 1927, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Bij besluit van verweerster van 20 december 2001 is aan eiser onder meer op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet een vergoeding toegekend van de kosten van opname in het verzorgingshuis [naam verzorgingshuis], inclusief de eventueel verschuldigde inkoopsom.

Bij schrijven van 28 november 2002, ter toelichting op de aan eiser in december 2002 toe te zenden berekeningsbeslissing, heeft verweerster onder meer de uitbetaling van de aan eiser toekomende vergoeding van de door hem betaalde inkoopsom toegelicht. Eiser heeft tegen deze berekening bezwaar gemaakt en daarbij aangegeven zich niet te kunnen vinden in verweersters weigering de door hem bij opname in [naam verzorgingshuis] gedane verplichte fondsdonatie te vergoeden. Bij het thans besttreden besluit heeft verweerster haar weigering de door eiser gedane fondsdonatie te vergoeden gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat dit fonds niet wordt aangewend voor de basisverzorging en -verpleging van de bewoners van [naam verzorgingshuis].

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 20, derde lid, van de Wet, komen - kort weergegeven - voor vergoeding in aanmerking de kosten van verpleging en verzorging in een daartoe bestemde inrichting, indien opname in die inrichting geschiedt wegens ziekten of gebreken die door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd.

Uit de gedingstukken blijkt dat eiser als bewoner van [naam verzorgingshuis] een donatie heeft moeten schenken voor een intern fonds genaamd “Vergeet mij niet als ik ouder word”, welk fonds blijkens het door eiser in geding gebrachte contract, wordt aangewend voor het verlenen van velerlei soorten steun en/of andere hulp aan de bewoners van het Ouderentehuis die daar behoefte aan hebben en/of voor betaling aan het Ouderentehuis voor het welzijn en sociale activiteiten van het tehuis.

Gegeven deze uit het ter zake door eiser onderschreven contract blijkende doelstelling van het fonds heeft verweerster, naar het oordeel van de Raad op goede gronden geoordeeld dat de gelden van dit fonds een sociale bestemming hebben en dat geen sprake is van kosten van verpleging en verzorging die op de voet van artikel 20, derde lid voor vergoeding in aanmerking komen. Mitsdien heeft verweerster terecht geweigerd deze kosten te betrekken bij de aan eiser toegekende vergoeding van bij opname in [naam verzorgingshuis] te betalen inkoopsom.

Dit betekent dat het beroep van eiser ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.