Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT5027

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
03-05-2005
Zaaknummer
04/45 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat eiser is getroffen door oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/45 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 31 december 2003, kenmerk JZ/F60/2003, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld op de in een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 28 juni 2004 heeft mr. K. ten Broek, juriste verbonden aan de ABVAKABO, zich als gemachtigde voor eiser gesteld alsmede, onder overlegging van een aantal stukken, het beroep nog nader toegelicht. Bij brief van 31 januari 2005 heeft zij voorts nog een schrijven ingezonden van de zenuwarts dr. B. Busard.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 maart 2005, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. Ten Broek voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiser, die in juni 1943 in Rotterdam is geboren, in juni 2002 bij verweerster een verzoek ingediend om krachtens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet) erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en onder meer in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering ingevolge de Wet.

Eiser baseert die aanvraag op gezondheidsklachten die zijns inziens het gevolg zijn van hetgeen hem in Rotterdam tijdens de oorlog is overkomen te weten, voor zover thans nog van belang:

1. het tijdens een huiszoeking op 10 november 1944 door Duitse soldaten bedreigd worden met een geweer;

2. het getuige zijn van het neerschieten van een jongen op de Honingerdijk op 11 november 1944;

3. het getuige zijn van een executie op de Lage Oostzeedijk op 3 april 1945.

Verweerster heeft bovengenoemde aanvraag bij besluit van 3 februari 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat eiser is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet.

Eiser kan zich met het besluit van verweerster niet verenigen.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder burger-oorlogs- slachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger op jeugdige leeftijd letsel heeft opgelopen door of in verband met handelingen of maatregelen, welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen hem werden gericht, dan wel door de confrontatie met doodslag, executie of zware mishandeling van derden door of namens de vijandelijke bezettende macht, ten gevolge van welk letsel hij blijvend invalide is geworden.

Met verweerster is de Raad van oordeel dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de huiszoeking tijdens de grote razzia van Rotterdam in november 1944 tegen eiser, die toen nog geen anderhalf jaar was, persoonlijk was gericht of gepaard is gegaan met excessief geweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Wet. Blijkens de historische gegevens was het doel van de razzia het vorderen van arbeidskrachten en wegvoeren van weerbare mannen in de leeftijd van 17 tot 40 jaar en ging het zoeken soms maar lang niet altijd met ruw optreden gepaard. Door eisers getuigen is verklaard dat alles overhoop werd gehaald, de deuren met geweld werden opengegooid en een soldaat zijn geweer richtte op eiser die bij zijn zus op schoot zat. Deze gedragingen vallen naar het oordeel van de Raad aan te merken als intimidatie maar vormen niet een zodanig ernstige, (fysieke) handeling of maatregel dat deze zou kunnen worden beschouwd als oorlogsgeweld in de zin van artikel 2 van de Wet, zoals hierboven beschreven.

Met betrekking tot het getuige zijn van het neerschieten van een jongen op de Honingerdijk op 11 november 1944 en van een executie op de Lage Oostzeedijk op 3 april 1945 heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat dit onvoldoende is bevestigd of aannemelijk gemaakt. Verweerster heeft daarbij overwogen dat er geen gegevens zijn aangetroffen in de haar ter beschikking staande archieven en dat zij de getuigenverklaringen - in het geheel van objectieve gegevens - onvoldoende overtuigend acht.

Zoals uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, wordt door verweerster niet betwist dat de hier in geding zijnde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in Rotterdam. Het betreft hier algemeen bekende historische gebeurtenissen. Verweerster acht echter het relaas van eiser en ook van zijn getuigen niet erg consistent of overtuigend.

De Raad laat in het midden of eiser daadwerkelijk aanwezig is geweest bij de genoemde gebeurtenissen. Gelet op de leeftijd van eiser - hij was tijdens het neerschieten van een jongen op de Honingerdijk nog geen anderhalf jaar en had ten tijde van de executie op de Lage Oostzeedijk de leeftijd van twee jaar nog niet bereikt - acht de Raad het niet aannemelijk dat ten aanzien van eiser sprake is geweest van confrontatie met doodslag, executie of zware mishandeling van derden zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet. De Raad is van oordeel dat onwaarschijnlijk is dat een kind van amper twee jaar oud, bij zijn moeder op de arm, bewust zou hebben waargenomen dat een jongen werd aangeschoten of gedwongen zou zijn geweest toe te kijken bij een massa-executie.

Verweerster heeft zich gelet op het vorenstaande op goede gronden op het standpunt gesteld dat in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat eiser is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet.

Uit hetgeen hierboven is overwogen vloeit voort dat het beroep niet kan slagen.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.