Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT5026

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
03-05-2005
Zaaknummer
04/499 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De overgelegde getuigenverklaringen zijn te algemeen om duidelijkheid te verschaffen over de specifieke situatie van eiser. In onvoldoende mate is komen vast te staan dat eiser is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/499 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 22 december 2003, kenmerk JZ/Z60/2003, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, namens eiser op de in een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Van Berkel voornoemd, heeft vervolgens het beroepschrift bij brief van 14 december 2004 nog aangevuld met getuigenverklaringen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 maart 2005, waar voor eiser is verschenen mr. Van Berkel voornoemd, en waar verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, die geboren is op 5 augustus 1938 te Batavia in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in mei 2003 verzocht om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering, een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en een voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. De aanvraag is gebaseerd op gezondheidsklachten die naar de mening van eiser het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië, te weten: tijdens de Bersiap-periode

1. De vlucht naar Tanah Tinggi;

2. De evacuatie naar het 10e Bataljon;

3. Het meemaken van beschietingen in het 10e Bataljon.

Verweerster heeft deze aanvraag bij besluit van 11 augustus 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat eiser is getroffen door gebeurtenissen in de zin van artikel 2 van de Wet.

Ten aanzien van de onder 1 genoemde gebeurtenis heeft verweerster overwogen dat niet is komen vast te staan dat eiser direct betrokken is geweest bij beschietingen tijdens zijn vlucht naar Tanah Tinggi. Tevens is verweerster van mening dat de directe betrokkenheid van eiser bij beschietingen in Tanah Tinggi door pemoeda’s die niet ver van eisers ouderlijk huis in de kampong zaten, niet is komen vast te staan. Ten aanzien van de gebeurtenissen onder 2 en 3 is verweerster van mening dat niet is komen vast te staan dat eiser direct betrokken is geweest bij beschietingen tijdens de evacuatie naar het

10e Bataljon. Het meemaken van beschietingen op het 10e Bataljon door sluipschutters is evenmin komen vast te staan.

In beroep heeft eiser aangevoerd van mening te zijn dat zijn oorlogservaringen op grond van de bekende gegevens en de getuigenverklaringen in voldoende mate zijn bevestigd en onder de werking van de Wet vallen en dat ten aanzien van de bewijslast een ruimhartige benadering voorgestaan dient te worden zoals vermeld in verweersters jaarverslag van 1996.

De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiser in beroep heeft doen aanvoeren, in rechte kan standhouden.

De Raad overweegt daartoe het volgende.

De Raad stelt allereerst vast dat blijkens de stukken na de Japanse capitulatie het gezin waartoe eiser behoorde vanuit de kampong Kaja Poetih naar Tanah Tinggi is gegaan en dat de gezinsleden op een gegeven moment vandaar door Engelse soldaten naar het 10e Bataljon zijn gebracht. Omtrent deze gebeurtenis heeft eiser in de hoorzitting zelf opgemerkt dat deze overbrengingen niet zijn gepaard gegaan met beschietingen. De Raad deelt het oordeel van verweerster, zoals ter zitting toegelicht, dat het 10e Bataljon een beschermingskamp was bestaande uit diverse gebouwen en terreinen die als verblijfplaats dienden, en dat afhankelijk van waar men verbleef de kans op beschieting door sluipschutters uit de nabij gelegen kampong aanwezig was. Uit de stukken komt echter naar voren dat eiser verblijf hield nabij het poortgebouw, hetgeen niet een zodanig gevaarlijke locatie was.

De Raad is voorts van oordeel dat de in geding zijnde oorlogsgebeurtenissen in dit geval onvoldoende bevestiging vinden in de overgelegde getuigenverklaringen die te algemeen zijn om duidelijkheid te verschaffen over de specifieke situatie van eiser. Zelfs met toepassing van een ruimhartige benadering als bedoeld in het jaarverslag van 1996 is naar het oordeel van de Raad in onvoldoende mate komen vast te staan dat eiser is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet.

Gelet hierop kan het bestreden besluit stand houden. Dit betekent dat het beroep van eiser ongegrond wordt verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.