Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT5013

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
03-05-2005
Zaaknummer
04/1487 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling van grondslag van de uitkering in euro dan wel in rupiah.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 8
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 8
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1487 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 11 december 2003, kenmerk JZ/T60/2003/958, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 maart 2005. Aldaar is eiser niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiser in 1914 geboren te Tegal in het voormalige Nederlands-Indië. In 1949 heeft hij zich in Nederland gevestigd; sedertdien is hij werkzaam geweest tot aan zijn pensionering in 1979 als ambtenaar Provinciale Waterstaat Noord-Holland in de rang van referendaris. Ingevolge zijn daartoe strekkende aanvraag van oktober 1975 is hij bij besluit van 15 april 1976 erkend als vervolgde in de zin van de Wet.

In 2001 is eiser geremigreerd naar Indonesië en heeft zich aldaar gevestigd te [woonplaats].

Ingevolge zijn aanvraag van mei 2002 heeft verweerster aan eiser bij besluit van 21 augustus 2003 ingaande 1 mei 2002 op grond van de Wet een periodieke uitkering en enige bijzondere voorzieningen toegekend. De grondslag van de periodieke uitkering is daarbij - met toepassing van artikel 8, vijfde lid, in verbinding met het achtste lid, onder a, van de Wet - vastgesteld op het wettelijk minimum van Rp. 1.417.911 per maand. Bij dit besluit is, overeenkomstig terzake ingewonnen medisch advies, in aanmerking genomen dat eisers uit de ondergane vervolging voortvloeiende klachten in 2002 hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van zijn leeftijdgenoten.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn periodieke uitkering in euro in plaats van in Indonesische valuta vastgesteld had dienen te worden nu hij de Nederlandse nationaliteit heeft en het grootste deel van zijn (werkzame) leven in Nederland heeft doorgebracht, terwijl hij ten tijde van zijn erkenning als vervolgde ook nog werkzaam was.

Bij het nu bestreden besluit heeft verweerster dit bezwaar ongegrond verklaard, onder overweging dat ingevolge de Wet aan uitkeringsgerechtigden die in het voormalige Nederlands-Indië vervolging hebben ondergaan en in Indonesië zijn gevestigd de uitkering op basis van rupiah dient te worden vastgesteld. Voorts is overwogen dat eiser ten tijde van zijn aanvraag niet was aangewezen op inkomsten uit arbeid zodat de grondslag is vastgesteld op het wettelijk minimum in rupiah.

In beroep tegen dit laatste besluit heeft eiser zijn eerder naar voren gebrachte grieven gehandhaafd. Daarbij meent eiser dat de grondslag van zijn periodieke uitkering gerelateerd dient te zijn aan zijn arbeidsverleden in Nederland.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 8, derde lid, onder b, van de Wet wordt de grondslag van de periodieke uitkering van een persoon die in Indonesië vervolging heeft ondergaan en tijdens zijn werkzaam leven aldaar in verband met de vervolging geïnvalideerd is geraakt, vastgesteld naar het inkomen in Indonesisch courant dat uit het daar uitgeoefende beroep of bedrijf zou zijn genoten.

Ingevolge artikel 8, vijfde lid, van de Wet wordt de grondslag van de periodieke uitkering van de vervolgde die ten tijde van het tot uiting komen van de ziekten of gebreken niet was aangewezen op inkomsten uit arbeid uit beroep of bedrijf, vastgesteld op het in het zevende lid, onder a, genoemde minimumbedrag in euro, dan wel op het in het achtste lid onder a, genoemde minimumbedrag in rupiah.

De Raad neemt als vaststaande aan dat de in artikel 8, vijfde lid, van de Wet omschreven situatie op eiser van toepassing is. Enig gegeven waaruit zou kunnen blijken dat eiser al voor zijn pensionering geïnvalideerd zou zijn geweest in de zin van de Wet - zodat hij toen werkte tot schade van zijn gezondheid -, ontbreekt. Bovendien heeft eiser, naar blijkt uit het onder de gedingstukken aanwezige aanvraagformulier, bij zijn aanvraag van 1975 uitdrukkelijk niet om een periodieke uitkering doch uitsluitend om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet verzocht.

Uit het voorgaande volgt dat voor eiser een minimumgrondslag in euro dan wel in rupiah vastgesteld diende te worden.

Ter zitting van de Raad is namens verweerster toegelicht dat, gelet op de aan artikel 8 van de Wet ten grondslag liggende systematiek zoals met name blijkt uit het bepaalde in artikel 8, derde lid, en uit de geschiedenis van de totstandkoming daarvan als neergelegd in de Memorie van Toelichting bij het desbetreffende wetsontwerp, in dit geval is gekozen voor een vaststelling in rupiah. Verweerster heeft hierbij beslissend geacht dat eiser na zijn hervestiging in Indonesië geïnvalideerd is geraakt op een tijdstip waarop van enige relatie met zijn arbeidzaam leven in Nederland al zeer geruime tijd geen sprake meer was. Alsdan geldt, aldus verweerster, het gestelde in de Memorie van Toelichting dat een uitkering naar Nederlandse courant tot een niet-aanvaardbaar bedrag zou uitgaan boven het loon- en prijsniveau in Indonesië, hetgeen niet in overeenstemming zou zijn met een der uitgangspunten van de Wet, te weten het behouden of herstellen van het oorspronkelijke levenspeil.

De Raad acht dit standpunt van verweerster juist.

Ook naar het oordeel van de Raad brengt, gelet op de in artikel 8, derde lid, van de Wet en de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1972, 12039, nr. 3, blz. 13) neergelegde opvatting van de wetgever betreffende de vaststelling van de grondslag ten behoeve van in Indonesië gevestigde en werkzame personen, een redelijke uitleg en toepassing van artikel 8, vijfde lid, in combinatie met het zevende en het achtste lid van dit artikel mee, dat ook voor personen die ná hun werkzame leven in Indonesië geïnvalideerd raken een grondslag in rupiah heeft te gelden. De omstandigheid dat een betrokkene zijn werkzame leven wél in Nederland heeft doorgebracht maakt voor de toepassing van artikel 8, vijfde lid, van de Wet geen relevant verschil, omdat bij de ingevolge dit artikellid te verstrekken uitkering een relatie met arbeid in beroep of bedrijf juist niet bestaat.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.