Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT5006

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
10-05-2005
Zaaknummer
04/4132 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag periodieke uitkering en bijzondere voorziening in het kader van de WUV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4132 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 29 april 2004, kenmerk JZ/R60/2004/0317, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiser uiteengezet waarom hij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 24 maart 2005. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1930, heeft in januari 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering en een bijzondere voorziening ingevolge de Wet. In dit verband heeft eiser gesteld dat zijn vader in het begin van de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië door de Japanse bezetter is opgepakt en in 1944 om het leven is gebracht. Het achtergebleven gezin is niet geïnterneerd, maar gevlucht en ondergedoken in een kampong, diep in de bergen bij Gombong, waar men onder kommervolle omstandigheden de oorlog heeft doorgebracht.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 13 februari 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, in de eerste plaats op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en voorts op de grond dat geen aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet wordt onder vervolging verstaan: vrijheidsberoving als gevolg van handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling.

Op grond van de gedingstukken moet de Raad met verweerster vaststellen dat niet blijkt dat eiser tijdens de Japanse bezettingsperiode van zijn vrijheid is beroofd.

Ten aanzien van verweersters weigering om eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met een vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 3, tweede lid van de Wet is verweerster bevoegd de persoon die vervolging heeft ondergaan, maar niet voldoet aan de vereisten als bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van de Wet, dan wel de persoon die voldoet aan de vereisten van evenvermeld eerste lid en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijk stellen indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Hierbij geldt dat gelijkstelling niet kan plaatsvinden indien zowel aan artikel 2 als aan artikel 3, eerste lid, van de Wet niet is voldaan.

Nu niet is gebleken dat eiser vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan en vaststaat dat hij niet voldoet aan de nationaliteits- en territorialiteitsvereisten zoals gesteld in artikel 3, eerste lid van de Wet, is de Raad van oordeel dat de weigering van verweerster om eiser met een vervolgde gelijk te stellen op goede gronden berust.

Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in recht kan standhouden. Het beroep van eiser dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De Raad, ten slotte, ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.