Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4888

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2005
Datum publicatie
29-04-2005
Zaaknummer
03/4892 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek terug te komen van besluit. Aanmerken functie als slijtend is nieuw feit of omstandigheid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 324 met annotatie van E. Nolles
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4892 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg Zuid, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 augustus 2003, nr. AWB 02/854 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde een nader stuk ingezonden.

Appellant heeft daarop gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.M. Schoonhoven, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Gedaagde heeft appellant, gelet op artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit bezoldiging politie (BBP) en artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), bij besluit van 1 februari 1995 met ingang van 1 april 1994 aangesteld in de functie van technisch controleur.

1.2. Bij brief van 22 juni 2001 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat zijn functie met terugwerkende kracht tot de datum van indiensttreding als slijtend wordt aangemerkt, zodat hij alsnog in aanmerking kan komen voor een uitkering volgens de regeling functioneel leeftijdsontslag (FLO). Naar aanleiding van deze mededeling heeft appellant bij brief van 4 september 2001 gedaagde verzocht om, met terugwerkende kracht tot 1994, in aanmerking te komen voor de vaste component van de inconveniëntentoelage.

1.3. Bij besluit van 27 september 2001, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 3 mei 2002, heeft gedaagde het verzoek van appellant afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat in het aanstellingsbesluit van 1 februari 1995 geen aanwijzing met het oog op het recht op een inconveniëntentoelage is vervat. Tegen dit besluit, noch tegen de salarisuitbetalingen heeft appellant een rechtsmiddel aangewend. Het onder 1.2. vermelde verzoek van 4 september 2001 waarbij appellant heeft gevraagd om hem in aanmerking te brengen voor de vaste component van de inconveniëntentoelage moet dan ook worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit of is daarmee in elk geval op één lijn te stellen.

4.2. Het bestreden besluit houdt in de handhaving van de weigering om appellant vanaf 1 april 1994 tot 1 juli 1997, het moment waarop de inconveniëntentoelage als vaste component in de bezoldiging is ingebouwd, aan te wijzen als ambtenaar in de zin van artikel 13, eerste lid, onder c van het BBP, zodat hij over deze periode niet met terugwerkende kracht in aanmerking komt voor de uitbetaling van de vaste component van de inconveniëntentoelage. Gedaagde heeft het verzoek op inhoudelijke gronden beoordeeld en zijn eerdere besluitvorming niet willen herzien, aangezien hij van mening is dat het alsnog aanmerken van appellants functie als slijtend niet betekent dat deze functie gelijk is te stellen met die van een executief ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Barp. Appellant voldoet voorts niet aan de voor toekenning van een inconveniëntentoelage geldende voorwaarde van aanwijzing door het bevoegd gezag. Daarbij heeft gedaagde mede van belang geacht dat appellant slechts incidenteel in afwijking van het dienstrooster werkzaamheden heeft verricht en hij voor deze werkzaamheden een vergoedingsregeling heeft getroffen.

4.3. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer CRvB 4 december 2003,

LJN AP3629, TAR 2004, 85) hanteert de Raad in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een beslissing die uitsluitend betrekking heeft op een periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, de volgende toetsingsnorm. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van de belanghebbende om terug te komen van een eerder genomen besluit dan wel van een daarmee op één lijn te stellen situatie, inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing - al dan niet in volle omvang - te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had moeten vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.4. De Raad is van oordeel dat het alsnog aanmerken van appellants functie als ‘slijtend’ op zichzelf kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit als hiervoor bedoeld. De vraag is vervolgens of dit gedaagde tot herziening van zijn eerdere besluit had moeten brengen. Gelet op hetgeen zijdens gedaagde omtrent de beweegreden de functie van appellant alsnog als slijtend aan te merken is uiteengezet, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. Het feit dat appellant, zoals ook niet door gedaagde wordt betwist, buiten zijn dienstrooster incidenteel werd opgeroepen dienst te doen, maakt dit niet anders, reeds omdat het hierbij ging om incidentele onregelmatigheden waarvoor gedaagde aan appellant vergoedingen heeft verstrekt in de vorm van vrije tijd en/of geld.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) L.N. Nijhuis.