Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4883

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
02-05-2005
Zaaknummer
03/2055 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag politie-ambtenaar op grond van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebrek. Geen zorgvuldig onderzoek naar herplaatsingsmogelijkheden.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 94
Besluit algemene rechtspositie politie 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/2055 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio IJsselland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 21 maart 2003, nr. AWB 02/1304, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. L.R.G. Uneken, advocaat te Zwolle. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.T. Schrijver, werkzaam bij de politieregio.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, sedert 1980 in politiedienst en laatstelijk werkzaam in de functie van medewerker [naam functie], is op 17 augustus 1996 voor zijn werkzaamheden uitgevallen in verband met rugklachten. Met ingang van 3 september 1997 is aan appellant een WAO (conforme) uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Vanaf 3 maart 1998 ontvangt appellant een WAO-vervolguitkering, eveneens naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2. Op 26 augustus 1999 heeft de bedrijfsarts, die in juli 1999 nog had geadviseerd op zoek te gaan naar een functie voor gedaagde waarbij de rug wordt gespaard en appellant zelf werktempo en lichaamshouding kan bepalen, aan gedaagde geadviseerd dat appellant blijvend arbeidsongeschikt is voor zijn eigen executieve functie en niet herplaatsbaar binnen de politieorganisatie.

1.3. Nadat Uszo op 26 januari 2000 een functieongeschiktheidsadvies had uitgebracht, heeft gedaagde appellant bij besluit van 8 februari 2000 met toepassing van artikel 94, eerste lid, onder e, en derde lid, onder c, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) op grond van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebrek per 1 maart 2000 ontslagen.

1.4. Na bezwaar van appellant, waarbij hij met name heeft aangevoerd dat gedaagde ten onrechte heeft nagelaten een herplaatsingsonderzoek uit te voeren, heeft gedaagde dit besluit bij het in geding zijnde besluit van 10 mei 2000 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat gedaagde heeft kunnen afzien van een herplaatsingsonderzoek als bedoeld in artikel 94, derde lid, onder c, van het Barp, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ten tijde van het bestreden besluit nog steeds was vastgesteld op 80-100%, hetgeen volgens de rechtbank inhoudt dat appellant op grond van objectiveerbare medische beperkingen buiten staat was algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten.

3. Namens appellant is in hoger beroep herhaald dat er ten onrechte geen herplaatsingsonderzoek is uitgevoerd. Volgens appellant kan niet uitsluitend aan de hand van een spreekuurcontact worden vastgesteld of hij wel of niet herplaatsbaar is. Nu appellant betwist dat hij niet herplaatsbaar is, mag gedaagde niet zomaar afgaan op het oordeel van de verzekeringsgeneeskundige.

3.1. Gedaagde die nog in het verweerschrift heeft betoogd dat hij kon afzien van een herplaatsingsonderzoek omdat appellant ten tijde van het ontslag nog 80-100% arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO, heeft nadien verklaard dat er medio 1999 wel een onderzoek is ingesteld naar de herplaatsbaarheid van appellant binnen de organisatie en dat op

26 augustus 1999 is vastgesteld dat het klachtenpatroon en de beperkingen van appellant van dien aard zijn dat appellant in het geheel niet herplaatsbaar is binnen de organisatie van gedaagde.

4. De Raad volgt gedaagde niet in zijn standpunt.

4.1. Volgens inmiddels vaste jurisprudentie - verwezen wordt naar de uitspraken van 13 september 2001, LJN AD 5013,

TAR 2001, 157, en van 25 februari 2004, LJN AO4714, TAR 2004, 58 - is de Raad met betrekking tot bepalingen als

artikel 94, derde lid, van het Barp van oordeel dat, mede gezien de diep ingrijpende gevolgen die een ontslag in verband met arbeidsongeschiktheid voor de betrokkene met zich brengt, die bepalingen door het desbetreffende bestuursorgaan nauwgezet in acht dienen te worden genomen. Van het uitvoeren van een herplaatsingsonderzoek kan slechts worden afgezien als het verrichten van arbeid als louter hypothetisch moet worden beschouwd. Naar de Raad eveneens reeds eerder heeft geoordeeld - zie de uitspraak van de Raad van 20 april 2000, LJN ZB8786, TAR 2000, 77 - brengt het instellen van een zorgvuldig onderzoek met zich mee dat de betrokken ambtenaar ook zelf daarbij wordt betrokken.

De Raad ziet in de omstandigheden van het onderhavige geval geen aanleiding anders te oordelen.

4.2. De Raad is met appellant van oordeel dat gedaagde op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt dat er voor appellant ten tijde van belang geen andere arbeid beschikbaar was, nu uit de gedingstukken niet van enig (gericht) onderzoek naar de mogelijkheid van het verrichten van passende werkzaamheden is gebleken. Integendeel: uit de stukken blijkt dat appellant op 31 maart 2000 schriftelijk aan Uszo heeft verzocht om een herplaatsingsonderzoek in te stellen, aangezien tot dat moment alleen was beoordeeld of hij terug kon keren in zijn eigen functie en er nooit was gesproken over andere functies.

4.3. Dat de gezondheidstoestand van appellant zodanig zou zijn dat een herplaatsingsonderzoek achterwege kan blijven omdat het verrichten van bij de beperkingen passende arbeid (in deeltijd) als louter hypothetisch moet worden aangemerkt acht de Raad niet aannemelijk, nu appellant onweersproken heeft gesteld dat hij - met toestemming van gedaagde - sedert 1993 in een kennel annex dierenpension werkt en daarin allerlei voorkomende, niet rugbelastende werkzaamheden verricht. Gedaagde zal derhalve alsnog een herplaatsingsonderzoek dienen uit te voeren.

5. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 94, derde lid, van het Barp in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. Gedaagde zal een nieuwe beslissing moeten nemen op appellants bezwaar met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de politieregio IJsselland;

Bepaalt dat de politieregio IJsselland aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in het totaal € 277,10 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-deVries als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E. Blijleven-de Vries.