Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2005
Datum publicatie
29-04-2005
Zaaknummer
03/5510 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte. Bevoegdheidsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5510 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2003, nr. AWB 03/764 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 3 maart 2005. Partijen zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Gedaagde, laatstelijk werkzaam als hoofdagente van politie, is bij besluit van 18 juli 2002 in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) ontslag verleend.

1.2. Bij het bestreden besluit van 7 januari 2003 heeft de commissaris van politie namens de korpschef dit ontslagbesluit gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit van 7 januari 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten en beslissingen gegeven over de proceskosten en griffierecht. Daarbij heeft de rechtbank - voorzover hier van belang - overwogen dat haar niet is gebleken dat degene die het bestreden besluit heeft genomen, de commissaris van politie, mandaat is verleend om namens de korpsbeheerder op het bezwaarschrift van gedaagde te beslissen, zodat het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank dan ook onbevoegd is genomen. Dat appellant achteraf het bestreden besluit heeft bekrachtigd was voor de rechtbank aanleiding te bezien of de inhoud van het besluit de rechterlijke toetsing kon doorstaan.

3. Het hoger beroep tegen deze uitspraak betreft uitsluitend de vernietiging van het bestreden besluit. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een bevoegdheidsgebrek, maar van een vormverzuim. Aan de korpschef en de commissaris van politie was namelijk wel degelijk mandaat respectievelijk ondermandaat verleend om namens appellant op het bezwaarschrift te beslissen, maar abusievelijk is dat in het bestreden besluit niet tot uitdrukking gebracht.

Mede omdat gedaagde door deze vergissing niet is benadeeld had naar het oordeel van appellant dit verzuim met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen worden gepasseerd, zodat het bestreden besluit niet vernietigd had moeten worden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat appellant in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder i, van het Mandaatsbesluit Regionaal Politiekorps Amsterdam-Amstelland september 1997 (verder: het Mandaatsbesluit) de korpschef heeft gemachtigd om bij ontslag ingevolge artikel 94, eerste lid, onder e, van het Barp namens de korpsbeheerder besluiten te nemen. Blijkens artikel 3 van het Mandaatsbesluit kan de korpschef andere functionarissen aanwijzen ter gehele of gedeeltelijke uitoefening van dit mandaat. De gemandateerde dient ingevolge artikel 2, aanhef, van het Mandaatsbesluit bij de uitoefening van dit mandaat in alle gevallen tot uitdrukking te brengen dat beslist wordt namens appellant.

4.2. De korpschef heeft in artikel 4, tweede lid , aanhef en onder h, van het Ondermandaat Regionaal Politiekorps Amsterdam-Amstelland september 1997 (verder: het Onderman-daatsbesluit) de uitoefening van de bevoegdheden van de korpsbeheerder zoals omschreven in het Mandaatsbesluit met betrekking tot artikel 94, eerste lid, onder e, van het Barp opgedragen aan onder andere de chef bureau Arbeidsvoorwaarden. Op grond van artikel 9 van het Ondermandaatsbesluit geldt ook hier dat bij het uitoefenen van de bevoegdheden tot uitdrukking dient te komen dat namens de korpsbeheerder en de korpschef wordt gehandeld.

4.3. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Regeling behandeling bezwaarschriften politie (verder: de Regeling) beslist de korpsbeheerder op de bezwaarschriften, ingediend tegen zijn en tegen de door de korpschef in mandaat genomen besluiten. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de korpschef beslist op de bezwaarschriften ingediend tegen zijn en tegen door de onderdeels- en bureauchefs in mandaat genomen besluiten.

4.4. Het besluit van 18 juli 2002 is namens appellant door de chef bureau Arbeidsvoorwaarden genomen. Genoemde functionaris was daartoe naar het oordeel van de Raad ingevolge de onder 4.1. en 4.2. genoemde (onder)mandaatsbesluiten bevoegd.

4.5. Het bestreden besluit is blijkens de ondertekening namens de korpschef wederom in ondermandaat door de commissaris van politie genomen. Naar het oordeel van de Raad verdraagt zich dit niet met het bepaalde in artikel 18, eerste en tweede lid, van de Regeling.

Nu het besluit van 18 juli 2002 namens appellant was genomen kon de beslissing op bezwaar niet (uitsluitend) namens de korpschef worden genomen, maar had deze door appellant of namens appellant, door de korpschef zelf, moeten worden genomen.

4.6. Appellants opvatting dat geen sprake was van onbevoegdheid, maar van een vormverzuim deelt de Raad dus niet. De rechtbank heeft dan ook terecht het bestreden besluit vernietigd.

De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak bevestigen voorzover aangevochten.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover in hoger beroep aangevochten;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, te betalen door politieregio Amsterdam-Amstelland;

Bepaalt dat van genoemde politieregio een griffierecht van € 414,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) L.N. Nijhuis.