Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2005
Datum publicatie
29-04-2005
Zaaknummer
03/1704 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkstelling werkgever voor dienstongeval. Zorgplicht werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/1704 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 18 februari 2003, nr. AWB 01/02201 MAWKMA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L. Kuipers, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als matroos van de [naam onderdeel] bij de Koninklijke Marine. Op

6 september 1990 is hij bij het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan boord van [naam schip] - destijds vanuit de Golf (oorlog) op weg naar de Seychellen voor een korte vakantie - van het (platform van) de seasparrowlauncher gevallen en terechtgekomen op het lager gelegen dek. Hij had als gevolg daarvan een verwonding boven de slaap en een hersenschudding. Nadien ontwikkelde hij psychische klachten. Met ingang van 21 september 1992 is appellant ontslag verleend uit de militaire dienst, naar later is vastgesteld op grond van blijvende ongeschiktheid uit hoofde van een ziekte of gebrek. Appellant is in elk geval tot 1997 onder behandeling geweest voor zijn psychische klachten.

1.2. Bij brief van 11 oktober 1996 heeft appellant gedaagde aansprakelijk gesteld voor de schade die hij lijdt als gevolg van het voornoemde ongeval. Deze brief is aanvankelijk opgevat en behandeld als een verzoek om toekenning van een militair pensioen. De aansprakelijkheidstelling is bij brief van 12 juli 2000 herhaald. Bij besluit van 7 augustus 2000 heeft gedaagde hierop afwijzend gereageerd op grond van de overweging dat de vordering tot schadevergoeding was verjaard. Na bezwaar heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 10 mei 2001 zijn afwijzing gehandhaafd, daarbij zijn standpunt met betrekking tot de verjaring laten varen en vastgesteld dat van schending van de op hem rustende zorgplicht geen sprake is geweest.

2. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Het bestreden besluit betreft een zuiver schadebesluit aangaande de schade die door de ambtenaar in de uitoefening van zijn dienstbetrekking is geleden. Gedaagde heeft bij de beoordeling van het verzoek terecht de toetsingsmaatstaf van de uitspraak van de Raad van 22 juni 2000, LJN AB0072, TAR 2000, 112, gehanteerd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of gedaagde voldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om het ongeval te voorkomen.

3.1. Uit het proces-verbaal van het ongeval blijkt dat appellant op de dag van het ongeval tijdens de vaart onderhouds- werkzaamheden verrichtte aan de buffers van het wapen-systeem welke buffers zich bevinden boven op de lanceerinrichting. Daarbij stond appellant aanvankelijk op een platform dat was voorzien van een railing van ongeveer 90 cm hoog. Dat platform bevond zich 2.10 meter boven het dek waarop appellant is gevallen. Niet weersproken is dat appellant voor het schoonmaken van de achterste buffer boven op de launcher moest klimmen om in liggende, hurkende, knielende of zittende positie zijn werkzaamheden aan die buffer uit te voeren. De afstand van de bovenkant van de launcher tot het onderdek is 3.15 meter. De voorzijde van de launcher grenst aan het voordek, dat meer dan 4 meter lager is gelegen. Appellant is gevallen toen hij na zijn werkzaamheden aan de achterste buffer met de daarbij gebruikte hulpmiddelen terugklauterde naar het platform, op het moment dat hij met één been op het platform stond en de knie van zijn andere been nog op de launcher rustte. Appellant stootte toen zijn elleboog en stroombotje, als gevolg waarvan hij een moment buiten kennis raakte en achterwaarts, over de railing van het platform, naar beneden is gevallen op het onder gelegen achterdek.

3.2. Gedaagde heeft gesteld dat het dragen van een veiligheidsgordel bij het uitvoeren van de onderhoudswerkzaamheden aan de launcher niet gebruikelijk was omdat het platform van een railing was voorzien. Ook overigens golden geen veiligheidsvoorschriften. Gelet op de hoogte van 2.10 meter was geen sprake van (relevant) valgevaar, waarbij gedaagde verwijst naar - destijds overigens nog niet geldende - Arbowetgeving. Bovendien was appellant voor het uitvoeren van het werk toestemming door de officier van de wacht verleend, omdat het rustig weer was en het schip geen noemenswaardige slinger-bewegingen maakte.

3.3. De Raad kan gedaagde hierin niet volgen. Uit 3.1. kan worden afgeleid dat de werkzaamheden aan de buffers niet volledig vanaf het platform konden worden uitgevoerd, maar dat het noodzakelijk was óp de launcher te klimmen. De launcher zelf is niet voorzien van een railing of andere beveiliging. De oppervlakte van de launcher is, naar appellant heeft gesteld en door gedaagde niet is weersproken, ongeveer 80 x 200 cm. Op dat kleine oppervlak moest appellant manoeuvreren met vetspuit en ander schoonmaakmateriaal. In die omstandigheden kon, gelet ook op het aan de voorzijde van de launcher meer dan 4 meter lager gelegen voordek, niet worden afgezien van het dragen van een veiligheidsriem. Daarbij dient te worden bedacht dat ook bij rustig weer sprake is van een bewegend schip. Van enige operationele noodzaak om zonder riem te werken is voorts niet kunnen blijken. Door deze veiligheidsriem niet te verschaffen, althans geen opdracht te geven zulk een riem te gebruiken, heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad niet voldaan aan de op hem rustende zorgplicht zoals onder 3. bedoeld.

4. Dit betekent dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak houdt geen stand. Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van € 1.610,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 966,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 277,10 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E. Blijleven-de Vries.

Q