Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4792

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2005
Datum publicatie
28-04-2005
Zaaknummer
05-1462 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening. De enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven is geen een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1462 AW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. INLEIDING

Bij de onder nr. 03/1626 AW door de rechtbank Zutphen op 20 januari 2005 tussen partijen gegeven uitspraak is het beroep van gedaagde tegen het in die uitspraak vermelde besluit van verzoeker houdende de ongegrondverklaring van gedaagdes bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek van gedaagde om hem met terugwerkende kracht in aanmerking te brengen voor een bezoldiging overeenkomstig schaal 11A, gegrond verklaard, is dat besluit vernietigd en is aan verzoeker opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen; voorts zijn beslissingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak. Tevens heeft hij het verzoek gedaan om een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot schorsing van de genoemde uitspraak totdat op het hoger beroep is beslist.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek om een voorlopige voorziening op een zitting achterwege gelaten.

II. MOTIVERING

1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift van 25 februari 2005 aangevoerd: “Indien wij namelijk alsnog op het bezwaar zouden moeten beslissen zou dat het hoger beroep illusoir maken”.

3. Op het schriftelijk verzoek van de voorzieningenrechter om het spoedeisend belang bij de door verzoeker gevraagde voorziening te onderbouwen en in het bijzonder in te gaan op zijn onder 2. weergegeven mededeling, heeft verzoeker als volgt geantwoord:

“In ons schrijven d.d. 25 februari 2005 hebben wij reeds de gronden van het verzoek om voorlopige voorziening vermeld.

Wij verzoeken u de beslissing van de rechtbank te Zutphen d.d. 20 januari 2005 te schorsen totdat op het onderhavige beroep is beslist. Indien wij namelijk voordien op het bezwaar zouden moeten beslissen dan zou dat moeten geschieden met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank, terwijl wij het daarmee juist oneens zijn. Indien wij geen beslissing nemen, dan kan eiser daartegen weer beroep instellen vanwege een fictieve weigering”.

4. De voorzieningenrechter overweegt overeenkomstig vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 augustus 1998, TAR 1998, 174) dat de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, op zichzelf niet een voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving van een in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd. Weliswaar zijn, zoals reeds bij herhaling tot uitdrukking is gebracht, gevallen denkbaar waarin de bij uitvoering van een uitspraak betrokken belangen dermate zwaarwegend zijn dat aan de hand van een voorlopig oordeel omtrent de mate van waarschijnlijkheid dat die uitspraak in stand zal kunnen blijven wordt bezien of voor doorbreking van het door de wetgever gewenste stelsel in het concrete voorliggende geval aanleiding bestaat, doch hetgeen van de zijde van verzoeker is aangedragen is niet aan te merken als een zwaarwegend belang als hiervoor bedoeld.

5. De voorzieningenrechter is op grond van het bovenstaande van oordeel dat het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb kennelijk ongegrond is, zodat het verzoek moet worden afgewezen.

6. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

1404

JvS