Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4564

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2005
Datum publicatie
25-04-2005
Zaaknummer
04/798 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaald verzoek om WUBO-uitkering en erkenning als burgeroorlogsslachtoffer in verband met oorlogservaringen in voormalig Nederlands-Indië. Geen relevante nieuwe feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/798 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 6 januari 2004, kenmerk JZ/Z60/2003, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld op de in het beroepschrift, met bijlagen, aangegeven gronden.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is gevoegd met het geding, bij de Raad geregistreerd onder nr. 04/796 WUV, behandeld ter zitting van de Raad op 10 maart 2005. Aldaar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door [gemachtigde], wonende te [woonplaats]. Verweerster heeft zich daar laten vertegenwoordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, die is geboren in 1939 in het voormalige Nederlands- Indië, heeft in september 1996 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burgeroorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van een periodieke uitkering. Eiseres heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en de daarop volgende Bersiap-periode. Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 24 oktober 1997 op de grond dat het overlijden van de vader van eiseres op 23 juni 1945 niet gezien kan worden als confrontatie met doodslag, executie of zware mishandeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub d, van de Wet en dat de vlucht van eiseres van de ene kampong naar de andere niet onder de werking van artikel 2, eerste lid, van de Wet kan worden gebracht. Ten aanzien van het verblijf van eiseres in Pier Semarang en het getuige zijn van een moord is geoordeeld dat van die gebeurtenissen onvoldoende bevestigingsgegevens zijn overgelegd dan wel verkregen. Eiseres heeft tegen dat besluit geen bezwaar gemaakt zodat dit tussen partijen in rechte is komen vast te staan.

In juni 2003 heeft eiseres aan verweerster verzocht haar besluit te willen heroverwegen, waarbij zij heeft aangegeven ook nog in het internaat te Kepandjen te hebben verbleven en ook nog getuige is geweest van zware mishandeling van haar moeder door de Japanners.

Bij besluit van 18 september 2003 heeft verweerster dit verzoek wederom afgewezen op de grond dat het verblijf in het internaat niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht en tevens dat niet is komen vast te staan dat eiseres getuige is geweest van zware mishandeling van haar moeder, terwijl voor het overige geen relevante nieuwe feiten of gegevens zijn vermeld die aanleiding zouden moeten geven verweersters eerdere besluit te herzien.

Bij het thans bestreden besluit van 6 januari 2004 heeft verweerster het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard omdat zij van mening is dat er geen redenen zijn om haar eerdere beslissing te herzien. Eiseres heeft, aldus verweerster, bij haar herzieningsverzoek en ook tijdens de bezwaarprocedure geen relevante nieuwe feiten of gegevens vermeld en voorts is niet gebleken dat de beslissing van 24 oktober 1997 destijds niet juist is geweest.

Eiseres kan zich met het besluit van verweerster niet verenigen. Zij blijft van mening dat het destijds genomen besluit van 24 oktober 1997 onjuist is geweest.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen van de zijde van eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

De hiervoor genoemde aanvraag van juni 2003 draagt deels het karakter van een verzoek om herziening van het door verweerster ingevolge de eerdere aanvraag van eiseres genomen, hiervoor vermelde besluit en is deels een hernieuwde aanvraag op grond van niet eerder vermelde en door verweerster beoordeelde gebeurtenissen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een door haar gegeven besluit in het voordeel van de betrokkene te herzien.

Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat bij een verzoek om herziening als waarvan hier ten dele sprake is centraal de vraag of eiseres bij haar verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren dan wel dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden tot herziening over te gaan.

Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken. Hetgeen eiseres in het kader van haar herzieningsverzoek heeft aangevoerd omvat in feite slechts een herhaling van de beschrijving van de ellendige omstandigheden waarin zij tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode heeft geleefd als gevolg waarvan zij nog steeds ernstige psychische klachten heeft. Van nieuwe feiten en omstandigheden die de eerder door verweerster beoordeelde gebeurtenissen alsnog bevestigen of in een ander daglicht plaatsen waarmee verweerster bij haar eerdere besluit nog geen rekening heeft kunnen houden, blijkt daaruit niet.

Met betrekking tot het verblijf in het internaat heeft verweerster terecht overwogen dat dit niet een calamiteit is als bedoeld in artikel 2 van de Wet.Ten aanzien van de mishandeling van de moeder van eiseres door Japanners, is de Raad met verweerster van oordeel dat niet is komen vast te staan dat eiseres daarvan getuige is geweest. Ook in beroep zijn geen gegevens ingebracht die de Raad tot een ander oordeel zonden kunnen brengen.

Ter voorlichting van eiseres, die niet begrijpt dat verweerster zonder nader medisch onderzoek tot haar (wederom) afwijzende besluit is gekomen, merkt de Raad nog op dat hij het uitgangspunt van verweerster, dat een medisch-inhoudelijke beoordeling eerst aan de orde kan komen, indien vaststaat dat sprake is van gebeurtenissen welke onder de werking van de Wet vallen, niet onjuist acht. Nu in het onderhavige geval verweerster nog steeds van mening is dat de ervaringen van eiseres haar niet onder de werking van de Wet kunnen brengen, heeft verweerster derhalve op goede gronden een medisch-inhoudelijke beoordeling van de aanvraag van eiseres achterwege gelaten.

Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde, terughoudende toetsing van de rechter kan doorstaan en dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 april 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.