Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4511

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
04/500 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer omdat betrokkene in verband met genoemde calamiteiten geen tot blijvende invaliditeit leidend letsel heeft opgelopen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/500 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 23 december 2003, kenmerk JZ/A70/2003, heeft verweerster ten aanzien van eiser toepassing gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Namens eiser is op in het beroepschrift vermelde gronden tegen dit besluit beroep ingesteld door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 februari 2005. Aldaar is eiser verschenen bij gemachtigde

mr. J.C.M. van Berkel voornoemd en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 14 februari 1996, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 december 1997, heeft verweerster aanvaard dat eiser tijdens de oorlog is getroffen door calamiteiten in de zin van de Wet, maar heeft hem niet erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet omdat hij in verband met deze calamiteiten geen tot blijvende invaliditeit leidend letsel heeft opgelopen. Hierbij heeft verweerster in navolging van haar geneeskundig adviseur in aanmerking genomen dat bij eiser sprake is van lichte psychische klachten die met zijn oorlogservaringen verband houden, maar voor hem geen invaliditeit in de zin van de Wet opleveren. Een door eiser tegen laatst genoemd besluit ingediend beroep is bij uitspraak van deze Raad van 16 november 2000, kenmerk 98/195 WUBO, ongegrond verklaard.

Bij schrijven van 28 augustus 2002 heeft eiser bij verweerster een hernieuwd verzoek ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet ter verbetering van zijn levensomstandigheden alsmede een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 27 maart 2003, welk besluit bij het thans bestreden besluit is herroepen. Bij dit laatste besluit heeft verweerster eiser alsnog op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en is met ingang van 1 augustus 2002 het door eiser gevraagde aan hem toegekend. Het namens eiser tevens gedane verzoek om de in verband met zijn bezwaar gemaakte kosten te vergoeden heeft verweerster afgewezen omdat het eerdere besluit van 27 maart 2003 niet is herroepen wegens aan verweerster te wijten onrechtmatigheid.

Eiser kan zich niet verenigen met verweersters weigering aan hem de in verband met zijn bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan vergoed, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Verweerster heeft ter zitting beargumenteerd naar voren doen brengen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een herroeping van het primaire besluit wegens een aan verweerster te wijten onrechtmatigheid. De Raad kan verweerster in deze opvatting niet volgen. De Raad heeft daarbij in overweging genomen dat verweerster alvorens haar primaire besluit te nemen geen gericht medisch (psychiatrisch) onderzoek heeft doen verrichten naar de vraag of bij eiser thans wel sprake was van invaliditeit ten gevolge van de bij hem bestaande psychische klachten, waarvan zoals uit het voorgaande blijkt eerder al was aanvaard dat zij met eisers oorlogservaringen wel verband houden maar hem niet invalideren. Gegeven enerzijds de door verweerster ingaande 1 juli 1998 tot stand gebrachte wijziging in de invaliditeitsbeoordeling, waarbij anders dan voorheen op grond van beperkingen in het dagelijkse leven wordt beoordeeld of sprake is van invaliditeit in de zin van de Wet, en anderzijds de omstandigheid dat eiser bij zijn eerdere, hierboven aangeduide, aanvraag ook al psychiatrisch werd beoordeeld, had naar het oordeel van de Raad een dergelijk gericht medisch onderzoek in de primaire fase van de besluitvorming in de rede gelegen. Reeds gelet hierop is de Raad van oordeel dat het primaire besluit is herroepen wegens aan verweerster te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Het namens eiser ingestelde beroep treft derhalve doel.

Aangezien aan de overige voorwaarden voor toepassing van artikel 7:15 van de Awb is voldaan, zal de Raad verweerster op grond van artikel 8:75, eerste lid, juncto artikel 7:15, tweede lid, van de Awb veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met het instellen van bezwaar ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, ten bedrage van € 644,-. De Raad zal verweerster voorts veroordelen in de proceskosten van eiser in verband met de behandeling van zijn beroep tot een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit voorzover betrekking hebbend op de kosten van de behandeling van het bezwaar;

Veroordeelt verweerster in de door eiser in verband met de behandeling van zijn bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 644,- alsmede in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 27,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling- Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.