Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4504

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
04/945 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kan de inschaling van leraar na onderbreking van de loopbaan worden gewijzigd met toepassing van artikel 5.6 van de CAO?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/945 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Achterhoek, gevestigd te Zutphen, als rechtsopvolgster van het bestuur van het Openbaar Lichaam "Scholen voor openbaar voortgezet onderwijs te Zutphen", gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 januari 2004, nr. 03/655 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. L. Stové, verbonden aan de Utrechtse Juristen Groep. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Schutter, werkzaam bij de Vereniging van Openbare en Algemeen Toegankelijke Scholen (VOS/ABB), en door [naam bestuurder], bestuurder van de stichting.

II. MOTIVERING

1. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van gedaagde, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de rechtsvoorganger van gedaagde.

2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant is na zijn afstuderen in 1976 gaan werken als leraar wiskunde, met bezoldiging volgens salarisschaal 12. Van januari 1985 tot en met juli 1991 heeft hij - op een korte periode na - ontwikkelingswerk verricht in het buitenland. Na zijn definitieve terugkeer in Nederland heeft hij opnieuw enkele functies als leraar wiskunde vervuld. Ingevolge de inmiddels van kracht geworden herziene onderwijssalarisstructuur, de zogeheten HOS-regeling, kon hij niet meer op zijn oude salarisniveau in dienst worden genomen; hij werd achtereenvolgens ingedeeld in schaal 10 en schaal 11. Met ingang van

1 augustus 2000 is appellant door gedaagde aangesteld als tweedegraads leraar in vaste dienst aan het [naam college] te [vestigingsplaats]. Daarbij is de bij de functie behorende maximumschaal bepaald op schaal 10 en is zijn salaris vastgesteld overeenkomstig schaal 11, salarisnummer 8.

2.2. Bij brief van 12 september 2002 heeft appellant gedaagde erop gewezen dat hij tengevolge van de onderbreking van zijn dienstverband in de periode 1985-1991 een achterstand in salaris had opgelopen. Hij heeft hieraan het verzoek verbonden om zijn inschaling te wijzigen. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 28 november 2002, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 17 april 2003.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 5.6 van de CAO 2002-2003 van het [naam college] [vestigingsplaats], voorzover hier van belang, wordt het salaris van de werknemer voor wie als gevolg van een onderbroken dienstverband een salarisachterstand is ontstaan die naar het oordeel van de werkgever niet meer gerechtvaardigd is, voorzover dit binnen het carrièrepatroon van de functie mogelijk is, stelselmatig vastgesteld op een hoger salarisbedrag, teneinde binnen redelijke termijn de geconstateerde achterstand in te lopen.

3.2. Appellant heeft zijn verzoek om hogere inschaling doen steunen op het bepaalde in artikel 5.6, voornoemd. Andere mogelijkheden om in een hogere schaal te worden geplaatst, zoals sollicitatie naar een hoger gesalarieerde functie, zijn hier niet aan de orde.

3.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellants lagere inschaling dan van toepassing was vóór de onderbreking van zijn loopbaan in 1985, kan worden gewijzigd met toepassing van artikel 5.6 van de CAO. Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat volgens artikel 5.6, tweede lid, van de CAO het inlopen van een achterstand mogelijk dient te zijn binnen het carrièrepatroon van de functie.

3.3.1. Blijkens artikel 1.1 wordt in de CAO onder carrièrepatroon verstaan: de wijze waarop de werknemer het maximum- salaris van de bij zijn functie behorende maximumschaal bereikt, als aangegeven in de bijlagen onder A van de CAO. In bijlage A2 zijn de carrièrepatronen weergegeven voor onder meer de LB-, de LC- en de LD-functie (respectievelijk overeenkomende met de salarisschalen 10, 11 en 12), door middel van salaristabellen waarin voor iedere functie een aantal salarisregels is vermeld met telkens het daarbij behorende maandsalaris.

3.3.2. Gelet op de aangehaalde voorschriften van de CAO, in onderling verband bezien, is de Raad met gedaagde van oordeel dat aanpassing van het salaris op grond van artikel 5.6 slechts kan plaatsvinden indien en voorzover de betrokkene het maximum van de voor zijn functie geldende (maximum-)schaal nog niet heeft bereikt. Voor toekenning van een bedrag dat boven dit maximum uitgaat, biedt de CAO geen ruimte.

3.3.3. Blijkens het aanstellingsbesluit is appellant geplaatst in een functie waaraan schaal 10 is verbonden. Tegen dit besluit is appellant niet opgekomen, zodat het rechtens als een gegeven moet worden beschouwd. Hieruit volgt dat voor appellant het carrièrepatroon van schaal 10 (LB) geldt en dat toepassing van artikel 5.6 niet kan leiden tot toekenning van een salaris dat hoger is dan het maximum van die schaal. Dat appellant op persoonlijke titel wordt gesalarieerd overeenkomstig schaal 11 (LC) maakt dit niet anders. Ook de aard en het niveau van de feitelijk aan appellant opgedragen werkzaamheden kunnen niet tot een ander oordeel leiden.

3.3.4. Nu vast staat dat appellant reeds boven het maximum van schaal 10 (LB) wordt gesalarieerd - en overigens ook reeds het maximum van schaal 11 heeft bereikt - heeft gedaagde het verzoek van appellant op goede gronden afgewezen.

3.4. Het bestreden besluit houdt derhalve in rechte stand en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. R. Kooper en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2005.

(get.) G.P.A.M. Garveluink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.