Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4500

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
04/1691 WUV + 04/1693 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkene is op grond van tweede-generatieproblematiek gelijkgesteld met de vervolgde. Zijn ingediende declaraties inzake bepaalde medicijnen/behandeling terecht afgewezen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/1691 WUV + 04/1693 WUV

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Onder dagtekening 19 februari 2004, kenmerk JZ/V80/2004/0107 en 0108, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een tweetal besluiten genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen deze besluiten heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In de beroepschriften is uiteengezet waarom eiseres zich met de bestreden besluiten niet kan verenigen.

Verweerster heeft verweerschriften ingediend.

De gemachtigde van eiseres heeft nadien de ingestelde beroepen nog schriftelijk verder toegelicht en nadere stukken ingezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 10 maart 2005.

Aldaar is namens eiseres verschenen haar gemachtigde mr. Van Gestel voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiseres, geboren in 1948, met toepassing van artikel 3, tweede lid, oud, van de Wet op grond van zogenoemde tweede-generatieproblematiek gelijkgesteld met de vervolgde. Bij terzake genomen besluiten van 27 mei 1990 en 20 oktober 1997 heeft verweerster aanvaard dat de psychische klachten en de moeheidsklachten van eiseres in overwegende mate in verband staan met de vervolgingsomstandigheden van haar ouders. Op grond hiervan is aan eiseres

- voorzover hier van belang - vergoeding in het vooruitzicht gesteld van de kosten van medische behandeling en medicijnen voor psychische klachten, alsmede de kosten van de behandeling van moeheidsklachten, inclusief medicijnen, door een arts/natuurgenezer/homeopaat. In dit verband is afgewezen de tevens gevraagde vergoeding van kosten verbonden aan vitaminepreparaten en vrij in de handel verkrijgbare middelen ter bestrijding van moeheidsklachten.

Eiseres heeft tegen de genoemde besluiten geen bezwaar gemaakt, zodat deze tussen partijen rechtens verbindend zijn geworden.

Bij de nu bestreden besluiten is beslist op door eiseres gemaakt bezwaar tegen een tweetal betalingsbeschikkingen, genomen ingevolge door eiseres ingediende declaraties. Hierbij zijn - kort samengevat en voorzover van belang - kosten van behandeling van darmklachten en daartoe voorgeschreven middelen, middelen voor leverreiniging en voor versterking van de afweer, voedingssupplementen alsmede een middel ten behoeve van de gevolgen van een val niet (langer) voor vergoeding in aanmerking gebracht. Omdat in het verleden sommige middelen toch zijn vergoed, heeft verweerster die middelen thans nog één keer wel vergoed.

In beroep acht eiseres het onjuist dat verweerster de in het verleden wel vergoede middelen nu niet langer vergoed. Verder is namens eiseres, onder verwijzing naar een verklaring van de haar behandelend arts/homeopaat, aangevoerd - kort gezegd - dat er een duidelijk verband bestaat tussen haar psychische klachten en de ontregeling van haar darmen, waarmee een verminderde werking van lever en galwegen gepaard gaat met alle gevolgen van dien voor haar energiehuishouding.

De Raad overweegt als volgt.

Voorop staat dat de basis voor de beoordeling van de vergoedbaarheid van de onderhavige declaraties is gelegen in de hierboven genoemde besluiten van verweerster van 27 mei 1990 en van 20 oktober 1997, hierna: de moederbesluiten.

Op grond van de moederbesluiten staat al dadelijk vast dat gedeclareerde voedings-supplementen en middelen voor de behandeling van een fysiek trauma niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Eiseres heeft de op dit punt in de bestreden besluiten neergelegde opsomming van middelen die hiertoe behoren op zichzelf niet betwist.

De Raad stelt verder vast dat in de moederbesluiten alleen sprake is van psychische klachten en moeheidsklachten; darmklachten zijn hierin niet vermeld. Hieruit volgt dat middelen die zijn voorgeschreven voor deze laatste klachten niet kunnen worden gedeclareerd.

Dit zou anders kunnen zijn indien uit medisch-wetenschappelijk oogpunt aanstonds duidelijk is dat tussen de psychische klachten van eiseres en haar darmklachten een direct verband bestaat. Verweerster heeft dit verband, op gezag van haar geneeskundig adviseur, echter niet aanvaard. In het terzake uitgebrachte medisch advies is aangegeven dat de door de behandelend arts gehuldigde opvatting dat een post-traumatisch stress-syndroom kan leiden tot een tekort schieten van de afweer van het immunologische darmsysteem binnen de medische wetenschap niet algemeen wordt gedeeld. Van een aanstonds duidelijk verband in voormelde zin is derhalve geen sprake.

Een en ander betekent dat eiseres de vraag of middelen voor darmklachten voor vergoeding in aanmerking komen niet langs de weg van het indienen van declaraties ten gronde aan de orde kan stellen, maar dat daartoe een nieuwe aanvraag moet worden ingediend. Om deze reden bestaat ook geen aanleiding voor inwilliging van het namens eiseres ter zitting nog gedane verzoek om een deskundigenonderzoek te gelasten.

Voor de Raad is op grond van de ter zitting namens verweerster nog gegeven toelichting voldoende duidelijk geworden dat eerdere vergoeding van nu afgewezen middelen berust op onbekendheid met de werkelijke aard van de toen gedeclareerde (veelal homeo-pathische) middelen en/of op vergissingen. De Raad is met verweerster van oordeel dat eiseres onder deze omstandigheden geen aanspraak kan blijven maken op vergoeding daarvan. Een gedragslijn waarbij nog eenmaal vergoeding wordt verleend onder duidelijke mededeling van afwijzing voor de toekomst acht de Raad in dit licht niet onaanvaardbaar.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van de bestreden besluiten geen grond.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 april 2005.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.