Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4479

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
04/3139 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erkenning als vervolgingsslachtoffer. In geschil is de ingangsdatum van de toekenning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/3139 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 15 april 2004, kenmerk JZ/M60/2004/0249, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Hierop heeft eiser gereageerd bij brieven van 13 en 23 september 2004 en 4 oktober 2004.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 maart 2005. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1930 in het voormalige Nederlands-Indië en in 1952 geëmigreerd naar Nederland, is in 1976 door de Uitkeringsraad, rechtsvoorganger van verweerster, erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Vervolgens is eiser met ingang van 1 juni 1989 in aanmerking gebracht voor een periodieke uitkering en nadien zijn aan hem in het kader van de Wet nog enige bijzondere voorzieningen verleend.

Bij besluit van 18 september 1995 heeft verweerster, op een daartoe door eiser bij schrijven van 15 augustus 1995 gedaan verzoek, de op grond van de Wet aan eiser toegekende periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen per 1 november 1995 ingetrokken. Tegen dat besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

Naar aanleiding van een door eiser in november 2002 gedaan verzoek heeft verweerster bij besluit van 23 december 2003 eiser met ingang van 1 november 2002 (wederom) in aanmerking gebracht voor een periodieke uitkering en enkele bijzondere voorzieningen. Het door eiser tegen dit besluit ingediende bezwaar, de ingangsdatum van de periodieke uitkering en voorzieningen betreffende, heeft verweerster bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat ingevolge het bepaalde in artikel 34 van de Wet de ingangsdatum van de toekenning ingaat op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.

Antwoord dient te worden gegeven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

De Raad is niet gebleken dat de door eiser in 1995 genomen beslissing om af te zien van zijn aanspraken op grond van de Wet, heeft berust op een wilsgebrek. Daarbij kan de Raad niet voorbijgaan aan de omstandigheid dat eiser na - op verzoek van verweerster - door zijn dochter te zijn benaderd, bij zijn standpunt is gebleven.

Voorts heeft eiser aangegeven dat er, na een in 1995 ondernomen reis naar Indonesië, verbetering is opgetreden in de bij hem bestaande psychische klachten en dat hij na in februari 1996 te zijn geremigreerd naar Indonesië, zonder klachten heeft geleefd. De in augustus 2002 opgetreden verslechtering heeft eiser, naar eigen zeggen, er toe gebracht zich wederom tot verweerster te wenden.

Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster het verzoek van eiser van november 2002 dan ook terecht aangemerkt als een hernieuwde aanvraag.

Dat brengt met zich mee dat, gelet op de van dwingendrechtelijke aard zijnde bepaling van artikel 34 van de Wet, de ingangsdatum van de aan eiser toegekende periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen terecht is vastgesteld op de eerste dag van de maand waarop de aanvraag is ingediend, te weten 1 november 2002.

Gezien het voorgaande dient het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 april 2005.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.