Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4475

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
04/3842 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek bijzondere voorziening in het kader van de WUBO. Bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de voor de indiening van een bezwaarschrift geldende termijn van zes weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/3842 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 15 juni 2004, kenmerk JZ/R90/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen.

Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Nadien heeft eiser zich nog verschillende malen tot de Raad gewend.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 maart 2005. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren in 1929, op grond van psychische invaliditeit erkend als burger- oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet) en als zodanig in aanmerking gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering.

Bij besluit van 15 maart 2004, op gelijke datum aan eiser verzonden, heeft verweerster afwijzend beslist op het door eiser op 28 februari 2003 gedane verzoek om herziening van het besluit d.d. 25 april 2002, bij welk besluit de door eiser gedane aanvraag om toekenning van een bijzondere voorziening op grond van de Wet ter zake van extra vakantie werd afgewezen.

Tegen het besluit van 15 maart 2004 heeft eiser bezwaar gemaakt bij schrijven van 29 april 2004 dat op 6 mei 2004 bij verweerster is ingekomen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar wegens overschrijding van de voor de indiening van een bezwaarschrift ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldende termijn van zes weken. In dat verband is overwogen dat de door eiser met betrekking tot de termijnoverschrijding aangevoerde omstandigheden niet van dien aard zijn dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser niet in verzuim is geweest in de zin van artikel 6:11 van de Awb.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad overweegt als volgt.

Gezien de hierboven weergegeven feiten staat vast dat eiser de bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb heeft overschreden.

Ter verklaring van de termijnoverschrijding heeft eiser aangevoerd dat hij eerst bezwaar heeft ingediend na ontvangst van de bij verweerster opgevraagde stukken en voorts dat hij tussen 29 april en 18 mei 2004 wegens ziekte op het bed heeft gelegen.

Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster in hetgeen door eiser is aangevoerd terecht geen grond gezien om de niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van artikel 6:11 van de Awb achterwege te laten. Hiertoe overweegt de Raad dat niet is gebleken dat eiser verhinderd was om een tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Zo had eiser de bezwaartermijn kunnen sauveren door een summier bezwaarschrift in te zenden en de gronden van het bezwaar op een nader moment - na ontvangst van de gevraagde stukken - kunnen aanvullen. Voorts valt de door eiser genoemde periode van ziekte na de hier aan de orde zijnde bezwaartermijn.

Het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 april 2005.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.