Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4462

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
04/4112 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (WUV) op de grond dat niet vastgesteld is kunnen worden dat betrokkene met een vervolgde gelijk te stellen is in het kader van de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/4112 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], (Indonesië), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 29 april 2004, kenmerk JZ/M60/2004/0315, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 maart 2005. Daar is eiser niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiser, geboren [in] 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, in juni 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde voor een periodieke uitkering en een voorziening voor huishoudelijk hulp ingevolge de Wet in aanmerking te worden gebracht. In dit verband heeft eiser gesteld dat hij, nadat zijn vader opgepakt en krijgsgevangen was gemaakt, met het overgebleven gezin onder kommervolle omstandigheden de oorlogsjaren heeft doorgebracht.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 15 januari 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet vastgesteld is kunnen worden dat eiser vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan, terwijl de omstandigheden waaronder eiser de oorlogsjaren heeft doorgebracht ook niet met vervolging vergelijkbaar zijn, zodat geen aanleiding bestaan om eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen daartegen in beroep door eiser is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 2 van de Wet wordt, voorzover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit dan wel hun Europese afkomst of gezindheid, en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.

Op grond van de gedingstukken moet de Raad met verweerster vaststellen dat niet blijkt dat eiser tijdens de Japanse bezettingsperiode van zijn vrijheid is beroofd. Uit de door eiser gegeven verklaring omtrent zijn ervaringen gedurende de Japanse bezetting is geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat er sprake zou zijn geweest van onderduik om aan vrijheidsberoving te ontkomen. Naar het oordeel van de Raad heeft eiser niet in omstandigheden verkeerd die de kenmerken van onderduik hebben gedragen, waarbij in aanmerking wordt genomen dat eisers vader gedurende de gehele Japanse bezetting niet bij het gezin was, maar elders in krijgsgevangenschap verbleef, terwijl ook overigens niet is gebleken dat voor het achtergebleven gezin, waarvan de moeder van Indonesische afkomst was, aanleiding bestond om voor vrijheidsberoving te vrezen.

Ten aanzien van verweersters weigering om eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge dit artikellid kan verweerster - voor zover van toepassing - met de vervolgde gelijkstellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat de Raad zich heeft te beperken tot de vraag of verweerster niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins in strijd heeft gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel.

Eiser heeft aangevoerd dat de beproevingen die hij heeft ondergaan als gevolg van de moeilijke levensomstandigheden in de kampong van Poeloeng niet minder zijn geweest dan die in een Japans interneringskamp.

Naar het oordeel van de Raad behoefde verweerster hierin geen aanleiding te zien om eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met een vervolgde gelijk te stellen, nu ook naar het oordeel van de Raad de omstandigheden waaronder eiser heeft verkeerd tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 geen overeenkomst vertonen met wat ingevolge de Wet dient te worden verstaan onder vervolging.

Het bestreden besluit kan mitsdien de hiervoor omschreven toetsing van de Raad doorstaan.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuurecht inzake een vergoeding van proceskosten en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J Stevens in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 april 2005.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.