Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4458

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2005
Datum publicatie
21-04-2005
Zaaknummer
04/4206 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning periodieke uitkering als burgeroorlogsslachtoffer omdat bij betrokkene geen sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel, opgelopen door de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidende tot blijvende invaliditeit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E LV O U D I G E K A M E R

04/4206 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 24 juni 2004, kenmerk JZ/070/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit heeft B.C. Simons, broer van eiseres, namens eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 maart 2005. Aldaar zijn namens eiseres verschenen B.C. Simons voornoemd en diens echtgenote [naam echtgenote], terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoorden door

J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in 1930 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, heeft in januari 2001 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en voorts in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en een tweetal bijzondere voorzieningen. In dat verband heeft eiseres gesteld dat zij gezondheidsklachten heeft gekregen ten gevolge van het oorlogsgeweld tijdens de Japanse bezetting en de zogenoemde Bersiap-periode.

Verweerster heeft bij besluit van 28 september 2001 erkend dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet. De aanvraag is voor het overige afgewezen op de grond dat uit de ten dienste staande (medische) gegevens, niet is gebleken dat bij eiseres sprake is van blijvende lichamelijke en/of psychische invaliditeit als gevolg van dit oorlogsgeweld. Eiseres heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.

In september 2003 heeft eiseres verweerster opnieuw verzocht in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen. Bij besluit van 31 maart 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond dat eiseres weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f van de Wet - te weten internering tijdens de Bersiap-periode - maar dat wederom niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit.

Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerster dat bij eiseres geen sprake is van blijvende invaliditeit ten gevolge van het oorlogsgeweld is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringraad. Deze adviezen berusten in bijzonder op een door de arts G. Kho op 4 februari 2004 uitgevoerd onderzoek van eiseres en op de medische informatie van, onder meer, neuroloog D.J. Zeilstra en patholoog

H.A. van den Bergen. In zijn rapportage is genoemde arts Kho tot de conclusie gekomen dat er bij eiseres geen sprake is van lichamelijke of psychische letsel ten gevolge van de oorlogservaringen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit. Deze conclusie is gehandhaafd na het in bezwaar uitgebrachte advies van de geneeskundig adviseur, de arts A.M. Ohlenschlager. Daarbij is aangegeven dat de psychische klachten, met name bestaande uit concentratie- en slaapproblemen, niet zozeer zijn toe te schrijven aan calamiteiten in de zin van de Wet maar verband houden met een, in 2002 ontdekte en toen operatief verwijderde, hersentumor. De depressieve klachten zijn niet oorlogsgerelateerd maar hangen samen met eenzaamheidsgevoelens. De incidenteel voorkomende angstdromen kunnen weliswaar worden herleid tot de oorlog, maar leveren geen beperkingen op het dagelijks functioneren.

Voorts wordt geconcludeerd dat de lichamelijke klachten van eiser - suikerziekte, long- en knieklachten - niet hun oorsprong vinden in de oorlogservaringen van eiseres, maar duidelijk andere oorzaken hebben.

De Raad acht de bestreden besluiten op grond van de genoemde adviezen naar behoren voorbereid en gemotiveerd.

In de ter beschikking staande medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweersters, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt over de causaliteit van de lichamelijke en psychische klachten van eiseres.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 april 2005.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.