Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4427

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2005
Datum publicatie
21-04-2005
Zaaknummer
03/5317 APPA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Korting op Appa-uitkering gewezen staatssecretaris – uitleg – inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.

Wetsverwijzingen
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers 9
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5317 APPA

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Eiser heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 september 2003 met kenmerk 2035019/8P. Nadien heeft eiser deze gronden van beroep aangevuld.

Namens verweerder is een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft daarop schriftelijk gereageerd.

Daarna heeft eiser nog diverse malen nadere stukken ingezonden.

Verweerder heeft de door de Raad aan hem voorgelegde vragen schriftelijk beantwoord.

Eiser heeft nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 maart 2005, waar eiser in persoon is verschenen en waar gedaagde, daartoe opgeroepen, zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Langguth, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

Van 22 juli 2002 tot en met 27 mei 2003 was eiser staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Ingaande 28 mei 2003 is aan hem voor een periode van twee jaar een uitkering toegekend ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, hierna te noemen: APPA.

Per 1 augustus 2002 heeft eiser gebruik gemaakt van de mogelijkheid van vervroegde uittreding uit zijn functie van hoofdcommissaris van de Regiopolitie [naam regio]. Vanaf deze datum heeft eiser aanspraak op een zogenoemde AFUP-uitkering onder FLO-voorwaarden van de Stichting Pensioenfonds ABP. Tot 28 mei 2003 is deze uitkering gekort met eisers wedde als staatssecretaris. Vanaf 28 mei 2003 wordt deze uitkering gekort met eisers APPA-uitkering.

Vanaf 28 mei 2003 wordt tevens eisers APPA-uitkering gekort met zijn AFUP-uitkering voor zover deze na de eerdergenoemde korting nog tot uitbetaling komt en tezamen met de APPA-uitkering de uitkeringsbasis van de APPA-uitkering overschrijdt.

Bij het bestreden besluit van 17 september 2003 heeft verweerder zijn ter zake genomen beslissing gehandhaafd om vanaf 28 mei 2003 eisers APPA-uitkering te verrekenen met de resterende AFUP-uitkering.

Eiser kan zich met dat besluit niet verenigen. Naar zijn mening komen, gelet op de tekst van artikel 9, tweede lid, aanhef, van de APPA alleen inkomsten uit tegenwoordige werkzaamheden voor korting op zijn APPA-uitkering in aanmerking. Voorts acht hij het onaanvaardbaar dat hij als gevolg van zijn APPA-uitkering in een nadeliger inkomenspositie is komen te verkeren dan zonder de toekenning van deze uitkering het geval zou zijn geweest.

De Raad overweegt het volgende.

In artikel 9, eerste lid, van de APPA is bepaald dat de inkomsten die de belanghebbende geniet met de uitkering worden verrekend. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel wordt onder inkomsten verstaan: het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten geniet als belastbaar loon uit of in verband met arbeid.

Hoewel de passage “wegens het verrichten van activiteiten” zo zou kunnen worden opgevat dat het hierbij uitsluitend gaat om tegenwoordige werkzaamheden, onderschrijft de Raad deze lezing niet. Gelet op het doel en de strekking van genoemd artikel vallen daaronder naar zijn oordeel ook inkomsten die worden genoten uit een betrekking die de belanghebbende niet meer vervult. Daartoe neemt de Raad in overweging dat de APPA blijkens haar geschiedenis van totstandkoming (onder meer) voorziet in een financiële overbrugging na een aftreden uit een politiek ambt, indien de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en zolang nog geen voldoende (nieuwe) inkomsten zijn gevonden. Voorts is de Raad met verweerder van oordeel dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 9 van de APPA en uit de fiscale wetgeving volgt dat het begrip "belastbaar loon uit of in verband met arbeid" ook uitkeringen omvat die zijn toegekend in verband met eerdere arbeid. Dit betekent dat het bestreden besluit is gebaseerd op een juiste uitleg van artikel 9 van de APPA.

Volgens eiser kan zijn APPA-uitkering ook daarom niet worden gekort omdat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat zijn AFUP- en APPA-uitkering over en weer worden verrekend. Dienaangaande stelt de Raad in de eerste plaats vast dat de onderhavige verrekening van eisers APPA-uitkering met de nog resterende AFUP-uitkering in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 9 van de APPA. In dit artikel is dwingendrechtelijk een verrekening voorgeschreven ingeval van overige inkomsten. Deze verrekening is in die zin begrensd, dat alleen een korting plaatsvindt voor zover het totale inkomen hoger is dan het inkomen dat de belanghebbende zou ontvangen uit de politieke functie indien hij deze nog zou bekleden. Aangezien in eisers situatie de APPA-uitkering vanaf een lager niveau wordt gekort dan de AFUP-uitkering, is het gevolg daarvan dat eiser, nadat de kortingen over en weer hebben plaatsgehad, een inkomen overhoudt dat hij zou ontvangen uit zijn ambt van staatssecretaris. Dit inkomensniveau is inherent aan het karakter van de APPA-uitkering als voorziening in het levensonderhoud zolang de gewezen politieke ambtsdrager nog geen nieuwe bron van inkomsten heeft gevonden. In de onderhavige situatie had eiser echter volledig kunnen terugvallen op zijn AFUP-aanspraak. Artikel 6, tweede lid, van de APPA voorziet namelijk in een dergelijke situatie door het geven van de mogelijkheid aan de belanghebbende een verzoek in te dienen om de APPA-uitkering niet toe te kennen.

Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat hij bij zijn aantreden als staatssecretaris op ambtelijk niveau informatie heeft ingewonnen ter zake van de financiële consequenties die het aanvaarden van zijn politieke ambt zou hebben voor zijn aanspraak op een AFUP-uitkering. In de daarop verkregen schriftelijke informatie is niet op een en ander gewezen, zodat hij bij zijn aftreden geen aanleiding heeft gezien een dergelijk verzoek in te dienen. De Raad neemt in overweging dat de onderhavige, onder de gedingstukken aanwezige ambtelijke voorlichtingsnotitie inderdaad geen informatie bevat over de aard en de gevolgen van de onderhavige anti-cumulatieregeling, noch over de mogelijkheid om van de APPA-uitkering af te zien, en derhalve onvolledig is, maar de Raad ziet hierin onvoldoende basis om het bestreden besluit te vernietigen. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat het hier gaat om interne voorlichting die niet uitdrukkelijk namens verweerder is gegeven, waardoor thans de verwachtingen die eiser daaraan heeft ontleend daarvoor niet van doorslaggevende betekenis kunnen zijn. Voor het overige is de Raad niet gebleken van onjuiste informatie of concrete toezeggingen aan eiser of ten aanzien van ministers en staatssecretarissen in het algemeen. Onder deze omstandigheden geldt dat onbekendheid met de inhoud en de mogelijkheden van de wet geen grond vormt om het daarin bepaalde ter zijde te stellen.

Gezien het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Dit brengt mee, gelet op artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat de Raad niet kan voorzien in eisers nader ingediende verzoek om met terugwerkende kracht tot 28 mei 2003 zijn APPA-uitkering te doen vervallen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter, en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar uitgesproken op 14 april 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Grauss.