Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT4033

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
18-04-2005
Zaaknummer
03/4620 AW en 04/566 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet beschikken over ADV-uren die konden worden ingezet bij het PC-privé project. Toestemming tot werkhervatting. Ontslag wegens verstoorde verhoudingen. Hoorplicht. Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4620 AW en 04/566 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 1 augustus 2003, nr. AWB 99/5896, en van 19 december 2003, nr. Awb 03/809 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

Appellant heeft nog nadere stukken ingezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 24 februari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn zoon [zoon]. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A.M. Houben, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.

II. MOTIVERING

1.Voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken alsmede naar de uitspraken van de Raad van 11 maart 1999, AB 1999, 386, en 12 december 2002, LJN AF2288. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was vanaf 1980 in ambtelijke dienst werkzaam bij de gemeente Eindhoven en in die hoedanigheid sedert 1991 gedetacheerd bij de stichting bouwspeelplaats “[naam stichting]”. Vanaf 7 januari 1992 is appellant ziek geweest. Sedertdien heeft hij zijn werkzaamheden bij [naam stichting] niet meer uitgevoerd.

1.2. Appellant heeft deelgenomen aan een PC-privé project van de gemeente. Daarbij is hem te kennen gegeven dat hij niet over een ADV-saldo beschikte, zodat een verrekening daarmee niet mogelijk was. Na bezwaar heeft gedaagde dit standpunt gehandhaafd bij besluit van 21 juni 1999 (besluit 1).

1.3. Eind 1996 heeft gedaagde voor appellant een ontslagtoets aangevraagd wegens langdurige ziekte van 5 jaar. Op 9 juli 1997 heeft de betrokken adviserend verzekeringsarts gedaagde laten weten dat appellant op de voorgenomen ontslagdatum, en 6 maanden later, niet wegens ziekte ongeschikt was voor het verrichten van de functie van beheerder bouwspeelplaats. In juni 1997 heeft gedaagde voorts aan de bedrijfsarts gevraagd of appellant medisch gezien in staat kon worden geacht binnen de openbare dienst van de gemeente gangbare arbeid te verrichten, welke vraag naderhand is aangevuld met het verzoek een oordeel te geven over de geschiktheid van appellant voor zijn destijds vervulde functie van beheerder bouwspeelplaats. Het door de bedrijfsarts vervolgens voorgestelde nader specialistisch onderzoek heeft niet plaatsgevonden. Eind juli 1997 heeft appellant zich hersteld gemeld; hij is toen evenwel niet direct in de gelegenheid gesteld zijn werk te hervatten. Bij brief van 9 september 1998 heeft een andere bedrijfsarts gedaagde meegedeeld dat appellant per 27 augustus 1998 geschikt is voor het vervullen van zijn functie. Daarop heeft gedaagde op 30 november 1998 besloten appellant op grond van artikel 7:1, negende lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de gemeente Eindhoven (CAR) toestemming te verlenen om zijn betrekking weer volledig te vervullen met uitbetaling van 100% van zijn salaris vanaf die datum. Dit besluit is eveneens na bezwaar gehandhaafd bij het onder 1.2. genoemde besluit 1.

1.4. Appellant heeft zich op 4 januari 2000 ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft vastgesteld dat appellant niet op medische gronden arbeidsongeschikt is maar als gevolg van een arbeidsconflict. Bij besluit van 27 juni 2002 heeft gedaagde overeenkomstig zijn eerder geuite voornemen appellant met toepassing van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR met ingang van 1 september 2002 ontslag verleend wegens ernstig verstoorde verhoudingen. Bij besluit van 11 februari 2003 (besluit 2) heeft gedaagde, na bezwaar, dit ontslag gehandhaafd en daarbij bepaald dat aan appellant een uitkering toekomt conform hoofdstuk 10a van de CAR, alsmede een vergoeding van € 25.000,- bruto.

2. Bij de aangevallen uitspraken zijn de beroepen van appellant tegen besluit 1 en besluit 2 ongegrond verklaard.

3. algemeen

3.1. Naar aanleiding van de uitvoerige betogen van appellant merkt de Raad in algemene zin op dat volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 7 april 1998, AB 1999/32) de rechter niet verplicht is in zijn uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk in te gaan. De Raad zal zich in het hierna volgende dan ook beperken tot de kern van de door appellant naar voren gebrachte grieven voorzover die betrekking hebben op de aangevallen uitspraken en de daarin aan de orde zijnde besluitvorming. Slechts daarover is de Raad bevoegd een oordeel te geven. Het gaat zijn taak te buiten, zoals door appellant is verzocht, een onderzoek te gelasten naar de werkomstandigheden, de werkbelasting en de ontstane problemen van appellant.

4. ADV

4.1. Gedaagde heeft aan zijn standpunt dat appellant niet beschikte over een ADV-saldo ten grondslag gelegd dat rechten op ADV-uren pas worden opgebouwd wanneer een medewerker feitelijk meer dan 36 uur per week werkt en dat dit in de situatie van appellant niet het geval was. Appellant heeft aangevoerd dat hij vóór 1992 vaak heeft overgewerkt en dat het gebruik was dat verlofdagen konden worden meegenomen naar het volgend jaar.

4.2. De Raad stelt voorop dat hier het al dan niet aanwezig zijn van ADV-uren in geding is en niet het aantal verlofdagen dat appellant bij [naam stichting] had. Op dit laatste heeft het bestreden besluit ook geen betrekking. Gedaagde heeft voorts naar het oordeel van de Raad voldoende duidelijk gemaakt dat tot 1997 het aantal opgebouwde en niet opgenomen ADV-uren aan het eind van ieder kwartaal verviel. Nu appellant reeds sedert 1992 niet werkzaam was kan worden geconstateerd dat in zijn geval eventuele uren reeds lang waren vervallen. Bij het systeem dat vanaf 1997 geldt kan ADV-tijd worden opgespaard volgens een zogenoemd spaarcontract. Vast staat dat met appellant een zodanig contract niet was gesloten. Voorts is bepaald dat een eventueel ADV-saldo per 1 januari vervalt. Dit een en ander leidt ertoe dat naar het oordeel van de Raad gedaagde terecht heeft vastgesteld dat appellant ten tijde van belang niet beschikte over ADV-uren die konden worden ingezet bij het PC-privé project.

4.3. Het hoger beroep van appellant kan op dit punt derhalve niet slagen.

5. toestemming tot werkhervatting

5.1. Ingevolge artikel 7:1, negende lid, van de CAR kan ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen worden bepaald dat hij zijn betrekking slechts weer zal mogen vervullen indien burgemeester en wethouders, gelet op een daarover gegeven medisch advies, daarvoor toestemming hebben verleend, onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden. Deze toestemming is in ieder geval vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest zijn betrekking te vervullen. Gelet op het feit dat appellant meer dan een jaar ziek was geweest gold in dit geval het vereiste van toestemming.

5.2. Appellant heeft de toestemming als zodanig niet aangevochten maar is van opvatting dat gedaagde met het verlenen daarvan onnodig lang heeft gedraald, nadat eenmaal duidelijk was geworden dat de adviserend verzekeringsarts hem niet arbeidsongeschikt achtte en hij zich hersteld had gemeld. Tussen de hersteldmelding van appellant in juli 1997 en de toestemming per 28 augustus 1998 zit een periode van ruim één jaar.

Appellant meent dat niet kan worden ingezien waarom nog het advies moest worden ingewonnen van de bedrijfsarts.

5.3. De Raad kan die handelwijze van gedaagde niet onzorgvuldig achten. Hij wijst erop dat het functiegeschiktheidsadvies werd ingewonnen met het oog op een eventueel ontslag wegens arbeidsongeschiktheid op medische gronden zoals bedoeld in artikel 8:5, tweede lid, in verbinding met het zevende lid, van de CAR. Gedaagde stond aanvankelijk een zodanig ontslag voor ogen. Het advies als bedoeld in artikel 7:1, negende lid, van de CAR, welk advies in dit geval was gevraagd aan de bedrijfsarts, heeft betrekking op daadwerkelijke werkhervatting in de eigen functie. Zeker nu appellant gedurende vele jaren zijn functie als gevolg van ziekte niet had vervuld was een medisch onderzoek naar zijn gezondheidstoestand aangewezen, alvorens appellant weer te werk kon worden gesteld. Nu appellant psychische klachten ondervond acht de Raad het advies van de bedrijfsarts om appellant aan een psychiatrische expertise te onderwerpen bovendien alleszins redelijk. De opstelling van appellant heeft ertoe geleid dat de onderzoeksprocedure ernstige vertraging heeft ondervonden. Zo heeft de toenmalige bedrijfsarts zich teruggetrokken omdat hij geen werkbare en duurzame vertrouwensrelatie met appellant kon onderhouden en is hij vervangen door een andere. Gedaagde kan dit niet worden tegengeworpen. Deze tweede bedrijfsarts heeft uiteindelijk positief geadviseerd, welk advies gedaagde heeft opgevolgd.

5.4. Onder deze omstandigheden komt de Raad tot het oordeel dat besluit 1 ook wat betreft de toestemming tot werkhervatting stand kan houden.

6. ontslag

6.1. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij in het kader van zijn bezwaar tegen het ontslagbesluit niet is gehoord. Dienaangaande is de Raad gebleken dat de hoorzitting op verzoek van appellant diverse malen is uitgesteld. Naar aanleiding van zijn verzoek om uitstel van 27 september 2002, met als bijlage een brief van de bedrijfsarts waarin deze schrijft dat hij appellant arbeidsongeschikt acht en niet geschikt om rechtszaken voor te bereiden, heeft gedaagde appellant meegedeeld dat hij, appellant, zich kan laten vertegenwoordigen door een gemachtigde of zijn bezwaren schriftelijk kan laten aanvullen. Gedaagde heeft de hoorzitting desondanks nogmaals uitgesteld. Nadien is geen uitstel meer verleend en heeft de hoorzitting doorgang gevonden zonder dat appellant is verschenen of zich heeft laten vertegenwoordigen. Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen dat uit de brief van de bedrijfsarts niet blijkt van een absolute verhindering voor appellant om zich te laten horen, komt de Raad tot het oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat appellant niet op genoegzame wijze in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Deze grief kan derhalve niet slagen.

6.2. Appellant is ontslagen wegens verstoorde verhoudingen. Dat de verhoudingen tussen appellant en gedaagde waren verstoord, is tussen partijen niet in geschil en ook de Raad gaat daarvan uit. Dit betekent dat gedaagde bevoegd was om appellant op grond van artikel 8:8 van de CAR ontslag te verlenen. In geding is dan voorts de vraag of gedaagde in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt door bij de ontslagverlening te bepalen dat appellant in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10a van de CAR en voor een vergoeding van € 25.000,-.

6.3. Appellant meent dat hij daarmee te kort is gedaan en dat hem ten onrechte zijn houding en opstelling jegens gedaagde en de ambtenaren van de gemeente Eindhoven wordt verweten. Zijns inziens is geen sprake van wrok, rancune en frustratie van zijn kant maar van het opkomen voor zijn rechten. Appellant heeft er voorts op gewezen dat van de zijde van gedaagde nauwelijks inspanningen zijn gedaan hem te herplaatsen.

6.4. Bij de beantwoording van de in 6.2. gestelde vraag is volgens vaste jurisprudentie van de Raad (bijvoorbeeld CRvB 29 april 2004, TAR 2004, 139) bepalend of het bestuursorgaan een zodanig overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de omstandigheden die tot het ontslag hebben geleid dat een hogere tegemoetkoming dan die is verleend, op zijn plaats is.

6.5. De Raad komt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting tot de conclusie dat dit niet het geval is. Daartoe heeft hij in aanmerking genomen dat, gelijk ook de rechtbank heeft overwogen, gedaagde niet bij machte was tewerkstelling bij [naam stichting] te bewerkstelligen, nu de bouwspeelplaats was geprivatiseerd en er inmiddels een ander op appellants functie was benoemd. [naam stichting] had aangegeven dat appellant niet kon terugkeren. Appellant richtte zich na zijn herstel evenwel onmiskenbaar en hardnekkig op terugkeer naar zijn oude functie, hetgeen de contacten met gedaagde niet vergemak-kelijkte. Gedaagde heeft zich in verband met herplaatsing van appellant gericht op een loopbaanoriëntatietraject voor appellant, waaraan deze zijn medewerking om hem moverende redenen niet heeft willen verlenen. Gedaagde valt hier geen verwijt te maken.

6.6. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant met de hem toegekende uitkering en extra vergoeding van € 25.000,- bruto niet tekort is gedaan. Gedaagde heeft daartoe in redelijkheid kunnen besluiten.

6.7. De grief van appellant dat in het ontslagbesluit - en bij de handhaving daarvan bij besluit 2 - ten onrechte en in strijd met het bepaalde in artikel 8:8:1 van de CAR de grond waarop het ontslag is verleend, is vermeld, nu hij daarom niet heeft verzocht, slaagt. Aan de motiveringsplicht kan in een geval als dit worden voldaan door bij de bekendmaking van het ontslagbesluit de grond voor het ontslag separaat te vermelden. Hoewel de omschrijving van de ontslaggrond zoals uit het hiervoorgaande blijkt juist is, komt het bestreden besluit voorzover daarin de vermelding van de ontslaggrond is gehandhaafd voor vernietiging in aanmerking. Ook de aangevallen uitspraak kan in zoverre geen stand houden. Gedaagde zal een nieuw besluit moeten nemen dat de ontslaggrond niet vermeldt maar voor het overige overeenstemt met besluit 2.

7. schadevergoeding

7.1. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de schade die hij heeft geleden door het handelen van de gemeente, waaronder het kennelijk onredelijk ontslag en het op grote schaal niet nakomen van beloften, zorgplicht, voorschriften en wetten en het niet aanvaarden van zijn hersteldmelding. Appellant heeft verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld die schade nader te laten berekenen door een deskundige.

7.2. Nu het hoger beroep tegen de uitspraak van 1 augustus 2003 niet slaagt en besluit 1 stand houdt is, gelet op het bepaalde in artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vergoeding van schade verband houdend met de ADV-kwestie en de toestemming voor werkhervatting geen plaats.

7.3. De vernietiging van de uitspraak van 19 december 2003 en besluit 2 heeft uitsluitend plaats op een formele grond, welke gedaagde op eenvoudige wijze kan herstellen, en waartoe de Raad opdracht geeft. Uit de onder 6.5. en 6.6. opgenomen overwegingen blijkt dat het ontslag de inhoudelijke toets der kritiek kan doorstaan. Daarom ziet de Raad in de vernietiging geen aanleiding om tot toekenning van schadevergoeding over te gaan.

8. In het vorenstaande vindt de Raad wel aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van € 40,94 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak van 1 augustus 2003;

Vernietigt de aangevallen uitspraak van 19 december 2003 voorzover zij de vermelding van de ontslaggrond in het ontslagbesluit betreft;

Bevestigt deze uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond voorzover daarbij de vermelding van de ontslaggrond in het ontslagbesluit is gehandhaafd;

Vernietigt besluit 2 in zoverre;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de Raad onder 6.7. heeft overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 40,94, te betalen door de gemeente Eindhoven;

Bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 291,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

04.04

Q