Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT3938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2005
Datum publicatie
15-04-2005
Zaaknummer
03/1749 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene, onrechtmatig in Nederland, was niet verzekerd voor de WAO, zodat gedaagde terecht heeft besloten betrokkene geen WAO-uitkering toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/1749 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. M.J. Blom, destijds advocaat te Spijkenisse, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s - Gravenhage van 27 maart 2003, nr. AWB 02/1569 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 november 2004 heeft mr. R. Vleugel, advocaat te Utrecht, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 maart 2005, waar appellant, met voorafgaand bericht, niet is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen mr. G.M. Folkers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

Appellant, geboren [in] 1964 en in het bezit van de Turkse nationaliteit, is op 5 oktober 1998 wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk als tuinbouwmedewerker. Zijn aanvraag om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsverzekering is door gedaagde bij besluit van 15 januari 2002 afgewezen. Aan dat besluit heeft gedaagde ten gronde gelegd dat appellant op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet verplicht verzekerd was voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Volgens gedaagde verbleef appellant op die datum niet rechtmatig in Nederland en verrichtte hij geen arbeid in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat hij in het verleden arbeid heeft verricht in overeenstemming met de Wav.

Bij besluit van 16 april 2002 is het bezwaar ongegrond verklaard. Overwogen wordt dat appellant (pas) op 4 november 1999 een verblijfsvergunning heeft aangevraagd. Op grond van artikel 3, derde lid, van de WAO is appellant geen verzekerde in de zin van die wet omdat hij op 5 oktober 1998 niet rechtmatig in Nederland verbleef.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij arbeid heeft verricht in overeenstemming met de Wav. Daaraan wordt toegevoegd dat indien hij een verblijfsvergunning zou krijgen hij wel verzekerd is voor de WAO.

De Raad oordeelt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag geen geldige verblijfstitel bezat. Op die datum had appellant zelfs nog geen aanvraag om een verblijfstitel ingediend. In het licht van de toepasselijke wettelijke regels volgt daaruit dat appellant op die datum niet verzekerd was voor de WAO, zodat gedaagde terecht heeft besloten aan appellant geen WAO-uitkering toe te kennen.

Derhalve moet als volgt worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.J. Simon in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2005.

(get) H.J. Simon.

(get) M.F. van Moorst.