Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT3837

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2005
Datum publicatie
15-04-2005
Zaaknummer
03/3272 ALGEM + 03/3273 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht het standpunt ingenomen dat de hoordredacteur bij de uitgeverij werkzaam was in een privaatrechtelijke, dus verzekeringsplichtige dienstbetrekking?

Wetsverwijzingen
Ziektewet
Ziektewet 3
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 3
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2005/210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/3272 ALGEM + 03/3273 ALGEM

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[naam Uitgeverij], gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: [naam Uitgeverij],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), hierna: het bestuursorgaan.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 23 mei 2002 heeft het bestuursorgaan zijn primaire besluiten van 23 november 2001 gehandhaafd, zijnde correctienota’s over de jaren 1996 tot en met 1999, waarbij het bestuursorgaan premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten van [naam Uitgeverij] heeft nagevorderd. De primaire besluiten van 3 december 2001, zijnde de boetenota’s over de jaren 1996 tot en met 1999, zijn niet gehandhaafd. De boetes zijn verlaagd van 50% naar 25% van de vastgestelde premies.

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 19 mei 2003, met kenmerk 02/2425, het beroep tegen het besluit van

23 mei 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voorzover daarbij de opgelegde boetes zijn gehandhaafd, de primaire besluiten van 3 december 2001 herroepen, het bestuursorgaan veroordeeld in de proceskosten van [naam Uitgeverij] en bepaald dat het bestuursorgaan het griffierecht aan [naam Uitgeverij] vergoedt.

Beide partijen zijn van die uitspraak in hoger beroep gekomen en hebben een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 januari 2005, waar namens [naam Uitgeverij] is verschenen

A.C. van Gaalen, bijgestaan door mr. J.D.A. Domela Nieuwenhuis, en waar namens het bestuursorgaan zijn verschenen

mr. S.P. van Asperen en L.E. Willemen, beiden werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

[naam Uitgeverij] is uitgever van verschillende tijdschriften, waaronder het blad ‘[naam tijdschrift]’, een vakblad voor de drankenbranche. [naam hoordredacteur] (verder: [naam hoordredacteur]) is hoofdredacteur van [naam tijdschrift]. In dat kader hebben [naam hoordredacteur] en [naam Uitgeverij] een op 29 november 1993 gedateerde overeenkomst ondertekend. Op 25 september 2000 heeft het bestuursorgaan een looncontrole bij [naam Uitgeverij] uitgevoerd, waarbij onder meer is vastgesteld dat [naam Uitgeverij] betalingen heeft verricht aan [naam hoordredacteur] die buiten de loonadministratie zijn gehouden. Het bestuursorgaan heeft op basis van de looncontrole het standpunt ingenomen dat [naam hoordredacteur] werkzaam was in een privaatrechtelijke, dus verzekeringsplichtige, dienstbetrekking. In verband hiermee heeft het bestuursorgaan de hiervoor vermelde correctie- en boetenota’s aan [naam Uitgeverij] opgelegd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat [naam hoordredacteur] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot [naam Uitgeverij] staat. Het beroep van [naam Uitgeverij] op het vertrouwensbeginsel is door de rechtbank verworpen. Ten aanzien van de door het bestuursorgaan opgelegde boetenota’s heeft de rechtbank geoordeeld dat de grondslag voor het opleggen van een punitieve sanctie ontbreekt.

De Raad overweegt naar aanleiding van het hoger beroep van [naam Uitgeverij] als volgt.

Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet zijn voldaan aan drie voorwaarden te weten de verplichting van de werknemer tot persoonlijke dienstverrichting, de verplichting van de werkgever tot loonbetaling en het bestaan van een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer.

De Raad komt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting tot de conclusie dat aan de laatste voorwaarde, te weten het bestaan van een gezagsverhouding, niet is voldaan. Daartoe heeft hij het volgende overwogen.

De Raad stelt vast dat [naam Uitgeverij] [naam hoordredacteur] heeft ingeschakeld vanwege zijn deskundigheid en kennis op het gebied van de drankenbranche. [naam hoordredacteur] was geheel vrij in het bepalen van de inhoud van [naam tijdschrift], kon daarbij derden inschakelen, bepaalde zelf zijn werktijden en verrichtte zijn werkzaamheden uitsluitend vanuit zijn eigen kantoor. De toelichting ter zitting van [naam Uitgeverij] op de in de artikelen 2 en 3 van de overeenkomst van 29 november 1993 tussen [naam Uitgeverij] en [naam hoordredacteur] neergelegde deadlines, huisregels en het daarop gebaseerde redactiestatuut heeft duidelijk gemaakt dat deze regels slechts zien op randvoorwaarden waaraan de door [naam hoordredacteur] aangeleverde kopij diende te voldoen en de in acht te nemen kopijdatum. De Raad is niet gebleken dat [naam Uitgeverij] [naam hoordredacteur] op basis van de huisregels of het redactiestatuut inhoudelijke aanwijzingen of opdrachten kon geven ten aanzien van de werkzaamheden van [naam hoordredacteur].

Voorts is de Raad ter zitting gebleken dat de in artikel 5 van voornoemde overeenkomst vastgestelde eindredactie van [naam Uitgeverij] niet meer inhield dan het controleren van de spelling en het aanbrengen van technische aanpassingen op de artikelen. In dit kader is van betekenis dat [naam Uitgeverij] de door redactiemedewerkers gemaakte drukproeven nogmaals aan [naam hoordredacteur] zond, zodat deze zijn goedkeuring aan de definitieve versie kon verlenen.

Aan het in artikel 15 van de overeenkomst neergelegde verbod om zonder toestemming van [naam Uitgeverij] mee te werken aan andere publicaties kan naar het oordeel van de Raad niet de betekenis toekomen die het bestuursorgaan daaraan gehecht wil zien, nu voldoende duidelijk is gebleken dat partijen deze bepaling van meet af aan hebben genegeerd. [naam hoordredacteur] heeft diverse malen zijn medewerking verleend aan publicaties zonder daarvoor toestemming aan [naam Uitgeverij] te vragen, welke publicaties de samenwerking tussen [naam Uitgeverij] en [naam hoordredacteur] klaarblijkelijk niet hebben gefrustreerd.

Ter zitting is gebleken dat [naam Uitgeverij] een aantal hoofdredacteuren in dienst heeft, die allen hun werkzaamheden op het kantoor van [naam Uitgeverij] verrichten. Anders dan in de situatie van [naam hoordredacteur] betaalt [naam Uitgeverij] de kosten van de door deze hoofdredacteuren ingeschakelde derden zelf en heeft zij de freelance-inkopen per tijdschrift in haar begrotingsbudget opgenomen. [naam hoordredacteur] was vrij om derden in te schakelen bij de uitvoering van zijn werkzaamheden, hij betaalde deze derden vanuit zijn eenmanszaak en deze betalingen werden op de jaarrekening van zijn eensmanszaak verantwoord. De Raad is van oordeel dat, gelet op de voornoemde omstandigheden, de positie van de onbetwist in loondienst werkzame hoofdredacteuren op essentiële punten verschilde van die van [naam hoordredacteur].

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van [naam Uitgeverij] slaagt en dat de aangevallen uitspraak en het besluit op bezwaar geen stand kunnen houden. Het vorenstaande houdt tevens in dat de aan [naam Uitgeverij] opgelegde premiecorrecties geen stand kunnen houden.

Met de vernietiging van het besluit op bezwaar ten aanzien van de premiecorrecties is ook de grondslag aan de opgelegde boetes komen te ontvallen, zodat het hoger beroep van het bestuursorgaan niet kan slagen.

De Raad acht het aangewezen om de opgelegde premie- en boetenota’s met gebruik making van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde bevoegdheid eveneens te vernietigen.

Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten van [naam Uitgeverij] in hoger beroep, begroot op € 966,-, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens de daarbij gegeven beslissingen omtrent proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 23 mei 2002;

Vernietigt de besluiten van 23 november 2001 en 3 december 2001;

Veroordeelt het bestuursorgaan in de proceskosten van [naam Uitgeverij] tot een bedrag van € 966,-, te betalen door het Uwv;

Bepaalt dat het bestuursorgaan aan [naam Uitgeverij] het betaalde griffierecht van € 348,- vergoedt;

Verstaat dat van het Uwv een recht van € 414,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 april 2005.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.