Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT3830

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2005
Datum publicatie
13-04-2005
Zaaknummer
03/3367 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestreden besluit niet bevoegdelijk genomen. Is het verzoek van betrokkene om arbeidsduurverlenging op goede gronden geweigerd?

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 54
Algemeen militair ambtenarenreglement 55b
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/3367 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (België), appellant,

en

de Directeur Centrale Dienst Personeel en Organisatie van de Koninklijke Landmacht, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juni 2003, nr. AWB 02/04633 MAWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een brief, gedateerd 11 september 2003, aan de Raad gezonden. Namens gedaagde is voorts een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 februari 2005, waar appellant, zoals tevoren bericht, niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.E. Zalm en luitenant-kolonel M.J.M. van den Brink, beiden werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende gegevens.

1.1. Appellant, werkzaam bij de Koninklijke Landmacht in de rang van luitenant-kolonel, heeft op 4 september 2001 verzocht om in aanmerking te komen voor een tijdelijke verlenging van zijn arbeidsduur van gemiddeld 38 uur naar 40 uur per week. Bij besluit van 11 december 2001 is die aanvraag voor de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 met toepassing van artikel 54d, eerste en derde lid, van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR) en artikel 2 van de Beleidsregel Tijdelijke Verlenging Arbeidsduur Koninklijke Landmacht (BTVAKL) gehonoreerd.

1.2. Bij besluit van 7 december 2001 is appellant aangewezen voor deelname aan de Senior Officers Course 100 aan het Nato Defence College te Rome gedurende de periode 11 februari 2002 tot 25 juli 2002. In dit besluit is vermeld dat appellant per 9 februari 2002 boven de sterkte is geplaatst.

1.3. Bij besluit van 5 december 2001 is appellant met ingang van 9 februari 2002 bevorderd tot kolonel vanwege het gaan bekleden van een functie waaraan die rang is verbonden.

1.4. Per 9 februari 2002 is appellants arbeidsduur, die ten gevolge van het in 1.1. vermelde besluit was bepaald op 40 uren per week, teruggebracht naar gemiddeld 38 uur per week en is zijn bezoldiging dienovereenkomstig aangepast. Op 26 april 2002 heeft appellant wederom een aanvraag ingediend om tijdelijke verlenging van de arbeidsduur naar gemiddeld 40 uur per week voor de periode vanaf 9 februari 2002. Bij besluit van 21 juni 2002 heeft het Hoofd P&O van de sectie BISO dit verzoek namens gedaagde afgewezen. Daartoe is als motivering gegeven dat een tijdelijke verlenging van de arbeidsduur niet mogelijk is voor degene die een initiële opleiding volgt.

1.5. Bij het bestreden besluit van 22 oktober 2002 heeft het Hoofd van het bureau Bezwaarschriften namens gedaagde het bezwaar van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daarbij is het primaire besluit in zoverre gecorrigeerd dat de Senior Officers Course 100 is beschouwd als een bijscholingsopleiding als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het AMAR, aangezien uit onderzoek was gebleken dat het gaat om een opleiding ter voorbereiding op appellants volgende functie(s) in de rang van kolonel.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat het besluit van 7 december 2001 geen aanwijzing inhoudt voor het volgen van een opleiding, maar dat aan hem bij dat besluit een andere functie is toegewezen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij erop gewezen dat hij per de ingangsdatum van die functietoewijzing is bevorderd en dat een bevordering ingevolge het AMAR alleen mogelijk is ingeval van toewijzing van een functie waaraan de betrokken rang is verbonden.

In de tweede plaats is appellant van mening dat hij ongelijk behandeld is ten opzichte van collega's die een opleiding zijn gaan volgen die niet gepaard is gegaan met een functiewisseling. In dit verband heeft hij gewezen op een bijlage bij een brief van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten waaruit volgt dat in die situatie wordt afgeweken van de regel, zoals opgenomen in artikel 55b van het AMAR, dat arbeidsduurverlenging niet mogelijk is voor de militair die een opleiding volgt. Verder heeft appellant erop gewezen dat een van zijn medecursisten, die werkzaam was bij de Koninklijke Luchtmacht, wel zijn aanspraak op arbeidsduurverlenging heeft behouden. Appellant trekt hieruit de conclusie dat gedaagdes handelwijze niet alleen in strijd is met het bepaalde in het AMAR, maar ook discriminerend en inconsequent is. Zijns inziens is de rechtbank hier ten onrechte aan voorbij gegaan. Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat aan de besluitvorming een bevoegdheidsgebrek kleeft.

3.2. Gedaagde heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad overweegt ambtshalve het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit blijkens de ondertekening namens gedaagde is genomen door het Hoofd van het bureau Bezwaarschriften. Uit de in rubriek I genoemde brief van gedaagde aan de Raad van 11 september 2003 en hetgeen de gemachtigde van gedaagde daarover ter zitting heeft opgemerkt, kan niet anders worden afgeleid dan dat genoemd hoofd ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet door gedaagde was gemandateerd om namens hem op het bezwaarschrift van appellant te beslissen. In die brief is vermeld dat dit mandaat alsnog wordt verleend. De Raad is van oordeel dat het aan het bestreden besluit klevende bevoegdheidsgebrek met die brief niet met terugwerkende kracht als hersteld kan worden beschouwd. Geconcludeerd moet dan ook worden dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Dientengevolge moet de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, eveneens worden vernietigd.

4.2. De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Immers, uit de brief van 11 september 2003 volgt dat gedaagde het bestreden besluit heeft bekrachtigd en het daarmee ook inhoudelijk voor zijn rekening heeft genomen.

4.3. Dienaangaaande overweegt de Raad als volgt.

4.4. Ingevolge artikel 54d, eerste lid, van het AMAR, voorzover hiervan belang, kan de militair die voor onbepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel en van wie het rooster is gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week, bij de commandant - in dit geval gedaagde - een aanvraag indienen om zijn arbeidsduur tijdelijk gedurende een kalenderjaar met twee uren per week te verlengen. Ingevolge het vierde lid vervalt de toegewezen verlenging van de arbeidsduur indien de militair een andere functie wordt toegewezen met ingang van de datum waarop hij de nieuwe functie gaat vervullen.

4.5. Uit artikel 55b van het AMAR volgt dat de mogelijkheid van tijdelijke arbeidsduurverlenging als hier aan de orde niet geldt voor de militair die een opleiding volgt als bedoeld in - onder meer - artikel 14 van het AMAR. Ingevolge het eerste lid van laatstgenoemd artikel betreft dit opleidingen om de benodigde kennis en vaardigheid te behouden voor de vervulling van de eigen functie, dan wel te verkrijgen voor de vervulling van functies binnen de groepen van functies waarvoor de militair is bestemd.

4.6. Hoewel artikel 55b van het AMAR geen bepaling kent die inhoudt dat een toegewezen verlenging van de arbeidsduur vervalt met ingang van de datum waarop de militair een opleiding gaat volgen, is de Raad van oordeel dat de artikelen 55b en 54d van het AMAR, in onderlinge samenhang gelezen, meebrengen dat, indien de militair wordt aangewezen voor het volgen van een opleiding en hij in verband daarmee wordt ontheven van zijn functie, een reeds toegekende verlenging van zijn arbeidsduur komt te vervallen. Indien de militair in een dergelijke situatie een nieuwe aanvraag om arbeidsduur-verlenging indient, staat vervolgens artikel 55b van het AMAR aan toewijzing daarvan in de weg. De Raad volgt gedaagde in zijn opvatting dat de onderhavige Senior Officers Course 100 dient te worden aangemerkt als een opleiding als bedoeld in artikel 14 van het AMAR. Daartoe acht de Raad bepalend dat het hier gaat om een opleiding met het doel om appellant voor te bereiden op de effectieve vervulling van een voor hem beoogde nieuwe functie. Gelet op de aanwijzing tot het volgen van die opleiding bij besluit van 7 december 2001 kwam appellant op grond van artikel 55b van het AMAR niet (opnieuw) voor arbeidsduurverlenging in aanmerking. Zijn betoog dat dit besluit ertoe strekte hem een nieuwe functie toe te wijzen slaagt niet, reeds omdat het geen grondslag vindt in de bewoordingen van bedoeld besluit. Wel is hem, voorafgaande aan zijn deelname aan de opleiding en vooruitlopend op de toewijzing van zijn nieuwe functie, om titulaire reden reeds de rang van kolonel toegekend. Daaraan kunnen echter niet de gevolgtrekkingen worden verbonden die appellant blijkbaar voor ogen staan. Gedurende de periode waarin appellant de opleiding volgde was hij ingevolge dit besluit van zijn functie ontheven en boven de sterkte geplaatst.

4.7. Ook het beroep dat appellant heeft gedaan op de toepassingspraktijk inzake artikel 55b van het AMAR moet falen. Wat er verder zij van die praktijk, op grond waarvan bepaalde (kortdurende) onderbrekingen van de functievervulling blijkbaar niet aan handhaving van de arbeidsduurverlenging in de weg staan, gedaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zulks niet geldt in een situatie zoals die van appellant, waarin de oude functie vervalt en de betrokkene tegelijkertijd wordt aangewezen voor een opleiding ter voorbereiding op zijn volgende functie. Dat in dit opzicht met betrekking tot een collega bij een ander krijgsmachtdeel een fout in diens voordeel is gemaakt, kan evenmin leiden tot het oordeel dat aan appellant, in weerwil van het bepaalde in artikel 55b van het AMAR, de gevraagde arbeidsduurverlenging had moeten worden toegestaan.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat de arbeidsduurverlenging na 9 februari 2002 op goede gronden is geweigerd en dat appellant ten tijde van zijn BDS-plaatsing in verband met het volgen van de Senior Officers Course in Rome een werkweek had van gemiddeld 38 uur per week. Gedaagde was daarom evenmin gehouden om appellant over die periode

ADV-dagen toe te kennen.

4.9. De Raad komt tot slotsom dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 22 oktober 2002;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 284,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers

(get.) P.W.J. Hospel

FB/4/4