Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT3621

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2005
Datum publicatie
12-04-2005
Zaaknummer
03/6173 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is betrokkene terecht van mening dat het pensioen dat hij als nabestaande van zijn overleden echtgenote ontvangt ten onrechte, in mindering wordt gebracht op zijn WUV-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/6173 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats] (Israël), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 13 november 2003, kenmerk JZ/V60/2003/0884, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.

Tegen dit besluit heeft eiser op de in het beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend, waarop eiser bij brief van 30 juli 2004 heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 februari 2005, waar eiser niet is verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1920, is vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Hem is ingaande 1 juli 1970 een periodieke uitkering toegekend.

Bij besluit van 31 oktober 2002 is aan eiser met ingang van 1 maart 2002 vergoeding toegekend ter zake van de kosten van verhuizing naar een geschikt verzorgingstehuis en van de opname in een verzorgingstehuis.

Bij berekeningsbeschikking van 31 maart 2003, toegelicht bij nader bericht van 19 maart 2003, heeft verweerster eisers uitkering vanaf 1 januari 2002 voorlopig bijgesteld in die zin dat alsnog rekening is gehouden met het gegeven dat eiser vanaf februari 2002 een particulier pensioen is gaan ontvangen en heeft zij voorts vastgesteld dat aan eiser een bedrag van € 5.715,76 te veel is uitgekeerd.

Het door eiser tegen dat berekeningsbesluit gemaakte bezwaar heeft verweerster bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Niet in geschil is dat de bedragen waarvan verweerster bij de berekening van eisers uitkering is uitgegaan op zich juist zijn.

Eiser is van mening dat het pensioen dat hij als nabestaande van zijn overleden echtgenote ontvangt ten onrechte, want op basis van een onjuiste interpretatie van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet, in mindering wordt gebracht op zijn uitkering.

Ingevolge voornoemde bepaling worden op de uitkering in mindering gebracht “de overige inkomsten, met uitzondering van inkomsten van de echtgenoot van de vervolgde alsmede van kinderbijslag uit welken hoofde of onder welke benaming ook genoten”.

Met verweerster is de Raad van oordeel dat een (weduwnaars)pensioen waarvan eiser de begunstigde is, niet kan worden aangemerkt als inkomsten van zijn (overleden) echtgenote. Het zijn inkomsten van eiser zelf waarop de gemaakte uitzondering niet van toepassing is.

Aangezien de onderhavige bepaling van dwingend recht is, bevat de Wet voorts niet de mogelijkheid om van deze bepaling af te wijken.

Met betrekking tot het door eiser gehandhaafde voorstel aan verweerster om als alternatief geen gebruik te maken van de hem toegekende vergoeding van de kosten samenhangend met de verhuizing naar een verzorgingshuis, merkt de Raad op dat uit het vorenstaande voortvloeit dat de Wet ook daartoe geen ruimte biedt.

Het vorenstaande betekent dat het door eiser ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en

mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2005.

(get.) C.G. Kasdorp

(get.) A.D. van Dissel-Singhal