Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT3620

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2005
Datum publicatie
12-04-2005
Zaaknummer
04/788 BPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om ander peiljaar voor berekening pensioengrondslag van persoon die o.g.v. ernstige verstoring van levensomstandigheden tengevolge van het verzet van derden is gelijkgesteld met een verzetsdeelnemer. Beëindiging werk wegens verzetsgerelateerde invaliditeit?

Wetsverwijzingen
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/788 BPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad , verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 23 december 2003, kenmerk 84892, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. N. Cohen, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van eiser beroep ingesteld bij de Raad. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 februari 2005. Aldaar is eiser in persoon verschenen met bijstand van zijn gemachtigde mr. Cohen voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.M.H. Kok, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. MOTIVERING

Verweerster heeft naar aanleiding van een in maart 1992 ingediende aanvraag bij besluit van 10 september 1999 bepaald dat eiser, geboren in 1942, met toepassing van artikel 3 van het ter uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Wet vastgestelde koninklijk besluit van 8 juli 1978, Stb. 422 (hierna: het Besluit), wordt gelijkgesteld met de categorie van personen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 3, van het Besluit. Verweerster heeft daarbij in aanmerking genomen dat bij eiser sprake is geweest van een ernstige verstoring van levensomstandigheden tijdens de oorlogsjaren als gevolg van het verzet van zijn vader.

Bij vervolgbesluiten van 21 februari 2000 en 21 juli 2000 heeft verweerster eiser ingaande 1 april 1992 een buitengewoon pensioen ingevolge de Wet toegekend naar een invaliditeit van 60% blijvend en een pensioengrondslag van f. 5.996,-- per

29 september 1947, dit laatste - overeenkomstig artikel 8 tweede lid, van de Wet - met in acht neming van 1990 als peiljaar. Na gemaakt bezwaar is bij besluit van 26 oktober 2000 het invaliditeitspercentage alsnog vastgesteld op 100 blijvend.

Bij besluit van 28 juni 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster ingevolge een terzake ingediend verzoek geoordeeld dat toepassing van artikel 8, derde lid, van de Wet en toetsing aan artikel 8, vierde lid, van de Wet geen hogere pensioengrondslag oplevert.

In beroep is er namens eiser op gewezen dat hij zijn sedert 1976 uitgeoefende functie van [naam functie] van Reekum Museum Apeldoorn in 1984 heeft moeten beëindigen en daarna niet meer aan het werk is gekomen. Mede gelet op de hierover ingebrachte rapportage van de psychiater dr. W. Op den Velde d.d. 14 augustus 2002 moet het volgens eiser ervoor worden gehouden dat de genoemde functie in wezen is beëindigd wegens zijn verzetsgerelateerde invaliditeit, zodat ingevolge 8, derde lid, van de Wet bij de bepaling van zijn pensioengrondslag met het uit die functie genoten inkomen rekening gehouden had moeten worden.

Voorts is aangevoerd dat verweerster in bezwaar ten onrechte niet nogmaals een hoorzitting heeft gehouden nadat door haar geneeskundig adviseur een medisch advies was uitgebracht.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 8, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door of namens betrokkene gedaan verzoek in plaats van het in het tweede lid bedoelde jaar als peiljaar aan te wijzen het jaar voorafgaande aan het jaar, waarin het inkomen van betrokkene ten gevolge van verzetsomstandigheden vermindering heeft ondergaan, of het jaar van intreden van de invaliditeit, indien dit voor hem gunstiger zou zijn.

Aangezien niet omstreden is dat eisers invaliditeit is ingetreden in 1945, spitst het geding zich toe op de vraag of eiser als gevolg van zijn verzetsgerelateerde invaliditeit zijn werkzaamheden als [naam functie] van genoemd museum heeft moeten beëindigen.

De Raad kan tot geen andere conclusie komen dan dat verweerster die vraag in het bestreden besluit terecht ontkennend heeft beantwoord. De gedingstukken wijzen onmiskenbaar uit dat eiser zijn werkzaamheden heeft moeten beëindigen vanwege een reorganisatie en vervolgens op wachtgeld is gesteld. Uit geen van de voorhanden gegevens blijkt dat eisers verzetsgerelateerde invaliditeit hierbij enige rol heeft gespeeld. De ingebrachte rapportage van dr. Op den Velde, met conclusie dat betrokkene zijn werkzaamheden ook zou hebben moeten beëindigen vanwege zijn psychische problematiek, indien de reorganisatie niet had plaatsgevonden, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Aldus bestond voor verweerster geen grondslag om van de haar in artikel 8, derde lid, van de Wet gegeven bevoegdheid gebruik te maken.

Wat betreft de namens eiser ingebrachte formele grief overweegt de Raad, in navolging van eerdere rechtspraak op dit punt (o.m. CRvB 11-12-97, 96/4106 WUBO, en CRvB 29-7-99, 97/11544 WSW, JSV 99/261), dat een na de hoorzitting uitgebracht medisch rapport niet is een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat hetgeen namens eiser is aangevoerd niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2005.

(get.) C.G. Kasdorp

(get.) A.D. van Dissel-Singhal