Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT3592

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2005
Datum publicatie
12-04-2005
Zaaknummer
02/4653 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering teveel betaalde schadevergoeding. Nihilstelling beslagvrije voet.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57, geldigheid: 2005-03-30
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 29, geldigheid: 2005-03-30
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 29g, geldigheid: 2005-03-30
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 29g, geldigheid: 2005-03-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/4653 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. drs. J.G.C. van Schaik, juridisch adviseur te Velp, hoger beroep ingesteld tegen een op 16 juli 2002 door de voorzieningenrechter te Middelburg tussen partijen gegeven uitspraak (nrs. Awb 02/157 en Awb 02/346 VV), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 25 augustus 2004, waar partijen niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Gedaagde heeft in 1997 besloten een eerdere intrekking van de aan appellant toekomende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 1 december 1979 ongedaan te maken en de WAO-uitkering per laatstgenoemde datum voort te zetten. Dit heeft na verrekening met de Sociale Dienst geleid tot een nabetaling van

fl. 260.306,57 netto. Aanvankelijk heeft gedaagde bij besluit van 20 augustus 1998 bepaald dat aan appellant fl. 324.227,26 aan wettelijke rente wordt vergoed. Bij besluit van 29 januari 1999 heeft gedaagde het aan appellant te vergoeden bedrag aan wettelijke rente gewijzigd en bepaald op fl. 502.094,69. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 26 februari 1999 vastgesteld dat de aan appellant toekomende wettelijke rente fl. 347.557,71 bedraagt, dat een bedrag van fl. 154.536,98 aan wettelijke rente onverschuldigd is betaald en dat dit bedrag wordt teruggevorderd.

Bij besluit van 16 september 1999 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 augustus 1998 gegrond verklaard, voorzover het de hoogte van de rentevergoeding betreft, de beslissing van 29 januari 1999 niet langer gehandhaafd en het bezwaar tegen het besluit van 26 februari 1999 ongegrond verklaard.

Appellant, die hangende zijn beroepsprocedure tegen gedaagdes besluit van 16 september 1999 niet mee wilde werken aan een onderzoek naar zijn vermogen, heeft voorgesteld om met ingang van 1 november 1999 maandelijks een bedrag van fl. 1.130,72 op de hem toekomende WAO-uitkering in mindering te brengen. Met dit voorstel is gedaagde blijkens zijn brief van 23 december 1999 voorlopig akkoord gegaan.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 16 september 1999 bij uitspraak van 3 oktober 2000 ongegrond verklaard, waarna de Raad bij uitspraak van 11 september 2001 het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat appellant het griffierecht niet tijdig heeft betaald.

Na deze uitspraak heeft gedaagde alsnog een inkomensonderzoek ingesteld, waaraan appellant andermaal niet wenste mee te werken. Gedaagde heeft vervolgens bij beslissing van 19 december 2001 de beslagvrije voet van het inkomen van appellant op fl. 0 bepaald en zowel de aflossingscapaciteit als het termijnbedrag bepaald op de hoogte van het netto inkomen van appellant van fl. 2.520,40 per maand. Het bezwaar van appellant tegen het op nihil stellen van de beslagvrije voet heeft gedaagde bij besluit van 11 februari 2002 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De voorzieningenrechter heeft het namens appellant ingediende verzoek om een voorlopige voorziening, hangende het beroep tegen het bestreden besluit, afgewezen en met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep tegen deze ongegrondverklaring is namens appellant onder meer naar voren gebracht dat de artikelen 29g, 57 en 57a van de WAO en het Terugvorderingsbesluit niet van toepassing zijn bij terugvordering van schadevergoeding en dat appellant door het handelen van gedaagde aanzienlijke schade heeft geleden, welke nog niet is vergoed, hetgeen rechtvaardigt dat gedaagde nog niet tot invordering overgaat.

De Raad overweegt het volgende

Evenals gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de terugvordering van teveel betaalde schadevergoeding haar grondslag kan vinden in artikel 57, eerste lid, van de WAO. Dit artikel bepaalt dat uitkering die als gevolg van een besluit tot herziening of intrekking onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd. Blijkens de Memorie van Toelichting op dit artikellid maakt het voor de toepassing van artikel 57 van de WAO niet uit wat de oorzaak is voor het onverschuldigd zijn van de betaling, maar gaat het om al hetgeen in het kader van de uitkeringsrelatie onverschuldigd is betaald. De Raad is van oordeel dat waar schadevergoeding wordt betaald vanwege het onrechtmatig handelen in de uitvoering van de WAO, er een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen het betalen van schadevergoeding en de uitkeringsrelatie. Zonder het bestaan van een uitkeringsrelatie had geen schade-vergoeding betaald hoeven worden, terwijl de berekening van de schadevergoeding, die in dit geval bestaat uit wettelijke rente, geënt is op de nabetaalde uitkering.

Zoals hiervoor reeds is overwogen staat de terugvordering van een bedrag van fl. 154.536,98 vast. De Raad stelt voorts vast dat appellant in het kader van de invordering niet de door gedaagde gewenste inlichtingen heeft verstrekt en begrijpt dat de reden om niet mee te werken is gelegen in de omstandigheid dat appellant meent dat gedaagde niet over mag gaan tot invordering, omdat een vordering tot schadevergoeding wegens andere schade dan renteschade is ingediend en bij toekenning van deze schadevergoeding een bedrag beschikbaar is voor verrekening met het door appellant terug te betalen bedrag aan rente.

Gedaagde heeft gemeld dat appellant een (voorlopig) bedrag van € 527.877,89 aan schadevergoeding heeft gevorderd, dat op deze ongespecificeerde vordering nog geen beslissing kan worden genomen en heeft zich verder op het standpunt gesteld dat in principe met vergoeding van wettelijke rente een schadeclaim is afgedaan. Zo al tot gedeeltelijke honorering (bijvoorbeeld belastingschade) van de claim van appellant zal worden besloten, dan zal dat om geringe bedragen gaan, aldus gedaagde.

De Raad is van oordeel dat gedaagde zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de hiervoor geschetste omstandigheden voor gedaagde geen reden hoefde te zijn om de invordering op te schorten en om geen consequenties te verbinden aan het niet verstrekken van de door gedaagde gewenste inlichtingen.

Ook overigens is het de Raad niet gebleken dat gedaagde door de beslagvrije voet op nihil te stellen en de volledige uitkering aan te wenden voor verrekening met de schuld van gedaagde heeft gehandeld in strijd met enig geschreven dan wel ongeschreven beginsel van behoorlijk bestuur.

Voorgaande overwegingen leiden de Raad tot de volgende beslissing.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) C.D.A. Bos.